Identiteiten in Jersey Shore

Ik weet niet of je wel eens naar Jersey Shore hebt gekeken. Ik moet bekennen, ik wel, een enkele keer. Het is op zichzelf natuurlijk een niet zo diepgaand programma (het gaat over zogeheten Guido en Guidettes, die veel drinken en veel seks hebben), maar aan de hand van dat begrip Guido/Guidettes kun je er wel serieus over na denken. Guido’s en Guidettes (het is slang) zijn Italiaanse Amerikanen, veelal uit de lagere klassen van de maatschappij, die hun tijd voornamelijk spenderen onder de zonnebank en in clubs. Waar het mij gaat, is het aspect van Italiaans-Amerikaans zijn.

Amerika is een land van veel etnische achtergronden. Iedereen is wel half-dit of half-dat, maar nooit honderd procent Amerikaans. Toch bestaat er zoiets als de typische Amerikaanse cultuur (die overigens ook gevormd is door dat begrip van multiculturaliteit). Denk maar aan McDonald’s, de talkshows of het gegeven dat ze voor elke afstand de auto pakken. Wat ik me afvraag is hoe dat voelt om Italiaans-Amerikaans te zijn. Aan de ene kant ben je Amerikaans, want je woont in de VS en bent daar opgegroeid. Aan de andere kant ben je Italiaans en opgevoed (neem ik aan) met de normen en waarden van dat land. Maar je woont niet in Italië, je kunt waarschijnlijk geeneens Italiaans spreken, op woordjes als ‘ciao’ en ‘arrivederci’ na. Als jij naar Italië gaat, dan ben je het zwarte schaap. Je bent niet volledig Italiaans, je kent niet alle culturele uitingen van dat land. Bovendien heb je een Amerikaanse achtergrond. Is er sprake van een identiteitscrisis?
De vraag is: ben je in Amerika ook een outsider? Je bent niet volledig Amerikaans. Of wel? Want is niet juist het typische aan het Amerikaans-zijn dat je niet volledig Amerikaans bent? Bestaat er dan wel of niet zoiets als de Amerikaanse identiteit (volgens Maxima waarschijnlijk niet, want die vond dat de Nederlandse identiteit ook niet bestond), omdat iedereen een andere achtergrond heeft of maakt dat juist de Amerikaanse identiteit tot de Amerikaanse identiteit?

Ik ben het met Maxima eens. Er bestaat niet zoiets als dé Nederlandse identiteit, dus dé Amerikaanse identiteit bestaat ook niet. In Amerika is de diversiteit aan culturele achtergronden daarbij zo groot, groter dan in Nederland, waardoor er van die identiteit geen sprake kan zijn. Natuurlijk, er zijn een aantal kenmerken die je kan geven aan de Amerikaanse identiteit, maar dat hoeft niet voor elke Amerikaan te gelden.

Hoe denk jij erover en hoe zou jij jouw (Nederlandse) culturele identiteit definiëren?

Laura de reiziger: Vijf ergernissen aan het openbaar vervoer

DSC00698

Ik ben een reiziger. Helaas niet iemand die de prachtigste plaatsen van de hele wereld bekijkt. Nee, ik reis vier dagen in de week van en naar Leiden. Bus, metro, trein. Inmiddels heb ik dus voldoende ervaring met het openbaar vervoer en dat heeft tot een aantal inzichten geleid. Ik zal jullie vandaag mijn lijstje van vijf ergernissen aan het openbaar vervoer geven (willekeurige volgorde).

1. Mensen die  niet voor je opstaan.
Dit gebeurt vaak in de bus of in de metro. Stel je eens voor, je zit in de metro vanaf Rotterdam Centraal en je moet eruit bij Zuidplein. Jij zit aan de kant van het raam en naast je zit nog een persoon.
‘Zuidplein.’ hoor je door de intercom.
Je pakt je ov-chipkaart. Je staat op. Dit is allemaal volstrekt logisch, hiermee geef je het signaal: ik moet er bij deze halte uit. Misschien begrijpen ze het niet of willen ze het niet begrijpen. De persoon naast je doet zijn/haar benen naar de zijkant, als een soort schijnbeweging, want het is echt niet alsof je er dan makkelijk langs kan. Met veel moeite en in ademnood wring je je tussen die persoon (waardoor je dus ook iemand aanraakt die je niet wil aanraken) en de stoeltjes ervoor. Soms struikel je alsnog over voeten of dat soort dingen.
Lieve mensen, ik vraag jullie alsjeblieft: hoeveel moeite is het nou om op te staan voor iemand? Je kan daarna gewoon weer zitten, je kan zelfs bij het raam zitten, harstikke leuk! Zelf vind je het toch ook fijn als iemand voor je opstaat, zodat je er gewoon normaal uit kan? En ik ben echt de slechtste niet hoor, ik zal gewoon netjes ‘Bedankt’ zeggen als je voor me opstaat. Dus alsjeblieft. Heb wat over voor je medemens.

2. Telefoongesprekken.
‘Hey Piet! Ja, nee, ik zit in de trein. Waar ben jij?’
Zo gaan die telefoongesprekken meestal. Daarna gaat het over in roddelen of het gaat over kinderen, noem maar op. Soms zijn ze kort, die telefoongesprekken. Meestal niet. Heel de treincoupé mag weten dat die klootzak nog steeds niets van zich heeft laten weten of dat Marietje zwanger is. Hier blijft het niet bij. Want degene die naast je zit, wordt ook gebeld. En de persoon achter je ook. Soms hoor ik vijf telefoongesprekken door elkaar heen.

3. Wachten in de kou.
Als je vaak met het openbaar vervoer reist, dan bestaat een groot gedeelte daarvan uit wachten. Mensen zijn van nature meestal niet zo geduldig. Dus ben ik op het treinperron of bij de halte vaak omringd door chagrijnige gezichten. Vooral in de winter kan er geen glimlachje vanaf. Wachten is niet leuk, maar door die ijzige sfeer wordt het alleen maar vervelender. En als het wachten afgelopen is: dan begint het dringen naar binnen (ellebogen zijn niet gemaakt om mee te duwen, mensen).

4. Buschauffeurs.
Ik heb niets tegen buschauffeurs in het algemeen, maar wel tegen twee soorten buschauffeurs, die soms ook vereenzelvigd zijn in één persoon.
Je stapt de bus in. Je houdt je ov-chipkaart voor dat gele/witte ding en dan kijk je naar de persoon achter het stuur.
‘Hoi.’ of ‘Goedemorgen!’ zeg je dan, al gelang naar het humeur dat je die dag hebt.
Geen reactie.
Dit, lieve buschauffeur, is onbeleefd. Ik weet dat je niet altijd vrolijk kunt zijn en dat je er misschien gek van wordt dat je de hele tijd dezelfde route rijdt, maar daar kan ik niets aan doen. Dus zeg alsjeblieft iets terug (grom desnoods). Dat vind ik fijn (het grommen ietsje minder).
Nummer twee. Eindhaltes. Voorbeeld: Zuidplein of Leiden Centraal. Je wéét dat iedereen eruit stapt en dat het dus druk is bij de deur. Maar, toevallig, heeft een bus twee deuren. In het midden en aan de voorkant, waar de buschauffeur zit. Dus kan de ene helft aan de voorkant eruit gaan en de andere helft bij de middendeur. Het enige wat de buschauffeur hoeft te doen, is op een knopje te drukken. Soms is dat al teveel moeite. Dit gesprek tussen een reizigster en de buschauffeur ving ik op, toen de buschauffeur weigerde de voorste deur open te doen.
‘Ga je de deur niet opendoen?’
‘Nee.’
‘Ouwe chagrijn.’
‘Kijk naar je eigen kop.’
‘Houd je bek joh!’
Nu zou ik zelf niet zo reageren, maar het zou natuurlijk wel lief zijn van de buschauffeur om gewoon de voorste deur open te doen.

5. Mensen tegenkomen die je niet wil zien.
Ik kom uit een dorp. ‘Leuk voor je.’ Ja, echt fantastisch. Als ik dus met de bus van of naar Zuidplein ga, kom ik altijd wel bekenden tegen. ‘Leuk toch?’ Nee. Want je komt altijd die mensen tegen die je niet wil zien. Je kent het zelf vast ook wel. Oude klasgenoten, die vervelende buurman of het ergst: je ex. En wat moet je dan doen? Hoi zeggen (wat een awkward situation oplevert) of negeren? Lastig, lastig.

Ik heb nog meer ergernissen, maar die bewaar ik wel voor een andere keer. Aangezien ik jullie niet met zoveel negativiteit over het openbaar vervoer wil opzadelen, zal ik binnenkort een lijstje maken van vijf dingen die wél leuk zijn aan het openbaar vervoer ;).

Laura’s fictie: Annie & Willy Wonka

Vroeger, en dat is heel lang geleden toen ik nog een jongeman was, ging ik wel eens naar de kapper. Nu is dat niet meer nodig, want mijn kale schedel glimt als een pasgewassen Audi R8 in de zon. Maar in die tijd had ik nog een kop vol rood, krullend haar (zoals Annie ja, maar dan de mannelijke versie daarvan) dat om de zoveel maanden te lang werd en schreeuwde om geknipt te worden. Dat liet ik altijd doen door een mollige vrouw, Beppe genaamd, wiens wenkbrauwen nog dikker waren dan mijn vaders kuiten. Ze was een praatgrage vrouw en stierf dan ook in het harnas; ze kreeg een hartaanval toen ze al pratend de burgemeester een permanentje gaf.

In ieder geval, ik was eenentwintig jaar en net het huis uit (de dag dat ik het huis verliet waar ik heel mijn leven gewoond had, was de dag waarop mijn ouders het gelukkigst waren, de idioten) toen ze overleed. Dus moest ik in de stad waar ik woonde in een piepklein studentenkamertje vol pissebedden en andere ongure bezoekers, de stad Leien wel te verstaan, op zoek naar een nieuwe kapper. Dat was nog een hele opgave, want zoveel haarknippers waren er namelijk niet, ook al woonde de helft van het land in mijn stad. Het leek net alsof het taboe was. En nu begrijp ik dat het ook zo was en waarom.
Maar goed, het was inmiddels juni geworden en het was de warmste maand sinds twintig jaar, dus ik begon aardig last te krijgen van het gekriebel in mijn nek en het zweet dat daarmee gepaard ging.
’Weet jij een goede kapper?’ vroeg ik aan mijn kamergenoot, die meteen een bulderend gelach uitstootte.
’Ben je gek geworden?’ riep hij uit, de tranen die over zijn gezicht liepen wegvegend (zo hard had hij namelijk gelachen). ‘De kappers hier, als ze er al zijn, zijn nog erger dan de maffiabazen in Napels! Ik wil nog niet dood gevonden worden in een kapperstoel, wat heel waarschijnlijk is als je zo’n zaak naar binnen gaat. Koop gewoon een schaar, dan knip ik je wel, voor vijf piek.’
Hij begon meteen weer te lachen, dus antwoordde hij niet op mijn vraag hoe ik dan verdomme aan het geld moest komen daarvoor. In mijn geboorteplaats had het zo’n drie piek gekost om mijn wilde haren te temmen, maar zeven piek (twee voor de schaar) om het geeneens door een professional te laten doen? Ik zal eerlijk bekennen, ik had zo mijn twijfels.
Maar ik had geen keus. Ze lachten me de hele tijd uit bij de sociëteit als ik daar met een T-shirt dat nat was van het zweet (aan de achterkant) aankwam en bovendien had ik last van uitdrogingsverschijnselen. Dus er zat niets anders op; ik moest een schaar kopen.
Ik schraapte het geld bij elkaar door éénmalig een folderwijk te doen (en dat doe ik mezelf ook nooit meer aan) en een weddenschap die te maken had met paarden en knoflook te winnen (nee, je wilt het niet weten.
Vol goede moed stapte ik daarna een winkel binnen waar ze kantoorartikelen verkochten.
’Een schaar, alstublieft.’
De verkoopster, een zeventigjarige vrouw met paars haar, staarde me aan zonder te knipperen.
Misschien was ze doof.
’Een schaar, alstublieft!’
Ik schreeuwde zo hard, dat mijn stem oversloeg, maar dat kon ook komen doordat ik de baard in de keel kreeg (toen pas ja).
Ze bleef me maar aanstaren. Volgens mij ademde ze geeneens. Was ze dood?
Ik deed met mijn wijs- en middelvinger de knipbeweging van een schaar na.
De vrouw knipperde met haar ogen.
’De scharen zijn uitverkocht.’
Deze zin kreeg ik in elke winkel (zelfs in die waar ze babykleding verkochten, waar ik wanhopig een poging deed) te horen.
’Maar waarom dan?’ vroeg ik aan de verkoper in een seksshop voor homo’s.
’Meneer,’ zei die, terwijl hij een aantal steelse blikken op me wierp. ‘Iedereen knipt tegenwoordig zijn haar, zeker nu het zo warm is. Maar ik vind lang haar wel aantrekkelijk hoor.’
En hij knipoogde naar me. Ik glimlachte nerveus en rende de winkel uit.
Er was geen uitweg meer, ik móest naar de kapper. Eindeloos dwaalde ik rond, maar na vijf uur vond ik dan eindelijk, in een steegje dat rook naar kattenpis en bitterkoekjes, een kapperszaak; Barbershop de Knipknapknop.
Er rinkelde een belletje toen ik de deur met ingeslagen ruiten open deed.
’Hallo?’
Mijn stem weergalmde in de ruimte. Een lange, excentriek uitziende man (hij deed me aan Willy Wonka denken, maar dan aantrekkelijk) kwam op me afgelopen. Hij had een hoge, paarse hoed op en glinsterende nepwenkbrauwen boven zijn ogen. Zijn kapsel kan ik alleen maar merkwaardig noemen. Sommige plukken waren zo lang dat ze tot zijn (bijzonder welgevormde, moet ik zeggen) billen kwamen, anderen reikten ‘maar’ tot zijn schouders. Het leek alsof ze gekleurd waren met een gele marker en bovendien glansden zijn haren zo erg (ik wist niet wat voor conditioner die man gebruikte, maar ik wilde het ook hebben) dat het leek alsof er sterretjes in zaten.
’Hallootjes!’ zei hij en stak zijn hand uit.
Ik schudde die, al ging dat lastig, want hij had lange, breekbare vingers die bleven vaststeken in het vlees van mijn hand.
’Kunt u even wachten, alstublieft? Ik moet eerst deze zeer amiabele vrouw knippen.’
De vrouw in de kapperstoel, haar wangen zo bol dat het leek alsof er twee hamsters in zaten, zwaaide naar me.
’Neemt u alstublieft plaats in de wachtruimte.’
De wachtruimte bestond uit een enkele, gammele stoel en een tijdschrift voor minderjarige, alcoholistische vaders die van vampiers houden. Ik bladerde het door, me totaal niet op mijn gemak voelend.
’Blonderen, graag. Maar niet té licht hoor, dan gaat mijn man weer zeuren over de tijd dat ik een prostituee was.’ babbelde de vrouw, terwijl de kapper een schaar zo groot als een gitaar pakte. Hij begon te knippen en de plukken grijs haar vlogen in het rond, waardoor ik er één in mijn mond kreeg. Het smaakte naar bosbessenijs.
Ik was net bezig in een artikel over hoe je ervoor kunt zorgen dat je kind bier haalt, terwijl je een horrorfilm kijkt, toen er iets opmerkelijks gebeurde.
Er vloog een oor langs.
Voordat ik ook maar kon bedenken hoe eigenaardig dit was, kwam de kapper aanrennen en pakte het oor op, zorgvuldig vastgehouden tussen wijs- en middelvinger (precies, de vingers waarmee je een schaar nadoet). Hij ging op zijn hurken zitten (wat mij een fijn uitzicht op zijn achterwerk gaf) en deed een luik open. Ik zag het snel, maar evengoed zag ik het; een doos vol potten waar normaal drop in zit, maar in deze zaten oren. Oren die net zo verschillend waren als mensen zijn. Groene exemplaren, gestreepte, bij sommigen stak er een heel bolletje wol aan haren uit en natuurlijk ook de welbekende bloemkooloren.
Ik was verbijsterd.
De vrouw in de kapperstoel ook. Het bloed spoot uit de zijkant van haar hoofd (alsof ik een uitbarsting van de Vesuvius aan het bekijken was) dat als een deken op haar haren ging liggen.
’Verdomme!’ gilde ze. ‘Ik zei toch dat ik geblondeerd wilde worden, ik háát roodharigen!’
’Hé!’ riep ik. ‘Mij moet je niet beledigen!’
Dat was een fout, want hierdoor merkte de kapper mij op. Hij drukte me tegen de muur aan, zijn gezicht gevaarlijk dichtbij de mijne.
’Jij gaat dit aan niemand vertellen.’
Ik schudde mijn hoofd.
’En jij gaat zo braaf op die stoel zitten.’
Ik knikte.
Hij glimlachte en gaf me een klopje op mijn schouder.
’Goed zo.’
Hij draaide zich om en ik greep mijn kans. Ik scheurde de (handgemaakte in Polen) vampiertanden uit het tijdschrift (had de redactie er gratis bijgedaan) en deed die in mijn mond. Ik maakte een pas vooruit, greep de kapper bij één van zijn langere lokken en ontblootte zijn nek.
’Blijf met je vuile poten van me af, idioot!’ riep hij, hevig tegenstribbelend en tevens snikkend.
’Kom godverdomme hier met die kloteverf!’ riep de vrouw vanuit de kapperstoel die met haar rug naar ons toe zat.
’Vieze orenknipper!’ wilde ik zeggen, maar door die vampiertanden kwam het eruit als: ‘Schllz fvvslsch!’
Dus beet ik maar. Het vlees van de kapper was sappig, nog lekkerder dan biefstuk en zijn bloed was werkelijk dorstverlessend. Na twee liter bewoog hij niet meer. Ik duwde zijn slap geworden lichaam van me af en veegde het bloed dat van mijn kin droop weg.
Voordat ik de deur opende, zwaaide ik nog even naar de vrouw in de kapperstoel, maar ze zwaaide niet terug. Het oorverlies was haar fataal geworden.
Kort na dit incident kreeg ik last van haaruitval. Volgens het tijdschrift hadden wel meer vampiers daar last van…

©Laura Bosua

In de val

Nietsvermoedend liep ik station Leiden Centraal uit. Dat doe ik wel vaker. Vier keer per week om precies te zijn. Tot zover niets aan het handje. Ik zag hem niet. Tegenwoordig kun je ze ook niet meer herkennen, want ze dragen geen felgekleurde jasjes meer met het logo erop. Ik liep recht in de val.
‘Mag ik je wat vragen?’
Shit, ik had sneller moeten lopen.
‘Nee..’ zei ik en ik wilde al doorlopen, maar –
‘Ik wil maar dertig seconden met je praten, maar dertig seconden!’
Het punt is dat ik niet bot kan zijn. Dus ik stopte.
‘Ik ga je niet versieren ofzo.’
Nee, dat moest er nog eens bijkomen.
‘Je wilt zeker geld?’ zei ik.
Misschien kan ik toch wel bot zijn.
‘Nee, ik heb gewoon een vraagje.’
Ja ja.
‘Ben je een dieren- of een kinderliefhebber?’
‘Allebei niet.’
Hij keek me geschokt aan, maar herstelde zich vlug.
‘Maar geen dierenhater toch?’
‘Nee, zo ver gaat het nou ook weer niet.’
‘Wist je dat make-up op dieren wordt getest?’
‘Ja, ik vind het wel erg, maar het is niet alsof ik die producten daardoor niet koop.’
‘Oké, maar wist je dat daar jaarlijks een half miljoen dieren voor worden gebruikt?’
Hij ging nog even door met zijn blabla-verhaal. Blijkbaar kon hij mijn gedachten lezen.
‘Ik ben een vrijwilliger hoor, ik werk normaal bij de ABN Amro als hypotheek adviseur.’
Ik gok dat hij er ongeveer tien euro per uur voor krijgt en nog vijf euro extra voor elke persoon die hij strikt.
‘Ik neem aan dat je een student bent?’
‘Ja.’
‘Als je nou elke dag twintig cent geeft, dan –‘
Ik liet hem niet uitpraten, op een gegeven moment bereikt je geduld een bepaalde grens.
‘Nee, sorry.’
Voordat ik me kon omdraaien, had hij alweer het volgende slachtoffer te pakken.
‘Mag ik je wat vragen?’
Volgende keer neem ik een sluiproute.

De baard van Nico II

Hoe krijg je binnen een dag meer dan 2500 bezoekers op je weblog?

Je schrijft over je ontmoeting met de baard van Nico Dijkshoorn en twittert dat naar hem. Hij stuurt een tweet terug:

@lauradenkt Tsja, de baard… Vrijheidssymbool van de man die er eindelijk niet representatief meer uit hoeft te zien. Goed geschreven!!

En hij retweet je.  Gevolg: meer dan 2500 bezoekers, mensen die je retweeten en followen en een big smile op je gezicht voor de rest van de dag.

Ik wil iedereen die het gelezen heeft heel erg bedanken, ik had het echt niet verwacht. Morgen komt er weer een nieuw stukje online!

De baard van Nico

Het vriendje en ik liepen door Rotterdam. Dat doen we wel vaker, daar is niets geks aan. We liepen een boekenwinkel in, Van Gennep om precies te zijn. Ook dat is niet gek, want daar studeer je literatuurwetenschap voor. We zeiden gedag tegen de eigenaresse en stonden nog wat te praten, totdat: The Voice. Te herkennen uit duizenden. Het een beetje nasale stemgeluid van Nico Dijkshoorn klonk in onze oren. We haastten ons de trap op en hoorden een aantal verhaaltjes aan die te maken hadden met gehaktballetjes van de Ikea en draadjesvlees (had Nico Dijkshoorn honger?). Daarna ontstond een rij voor het signeren. Wij haastten ons naar beneden om een boek van Nico te kopen (nee, we zijn echt je grootste fans, maar we waren vergeten dat je een nieuw boek had geschreven, ja, echt!) en toen weer naar boven om in de rij te staan. Door de lange mensen (of ik ben gewoon klein) kon ik hem niet zien, maar af en toe hoorde ik The Voice wel. Minuten gingen voorbij. De mensen voor mij gaven hem een groen t-shirt met ‘Ich liebe Rotterdam’ erop. Ze vroegen wat hij ging doen.
‘Naar huis, naar mijn vrouw,’ zei Nico.
Wij waren aan de beurt.
Ik ging zitten, gaf hem een hand en toen viel het me op: de baard van Nico. Nu moet je weten, dat is niet zomaar een baardje van drie dagen. Nee, deze baard heeft weken kweken gekost. Deze baard heeft waarschijnlijk Valentijnsdag meegemaakt, misschien zelfs nog de sneeuw in Nederland. Dit was duidelijk een serieuze baard.
Ik heb niets tegen baarden, laat dat even duidelijk zijn. Maar terwijl Nico een Klaasje opschreef in mijn pasgekochte boek, kon ik alleen maar naar dat grijze bedeksel rond zijn kin kijken.

Tekst in boek: Laura, zo jong en dan al precies de goede boeken kopen. Jaloers, ik.
Klaas reed in sloten. Bleef hij liggen, in wielerkleding tot wij hem vonden. En dan maar schelden. Uniek in die tijd!

Ik dacht aan zijn vrouw, die hij straks zou zien. Hij zou haar een kus op de mond geven. Ik hoor haar zuchten.
‘Wanneer ga je je weer scheren, schat?’
Ik heb niets tegen baarden. Maar baarden prikken. Ze zorgen voor rode uitslag rond de mond bij het kussen. Baarden zijn als de doornen van een roos. Ze beletten je om de roos te plukken.
Zoenen is fijn, het is goed voor je relatie. In baarden blijven restjes Zweedse gehaktballen en draadjesvlees hangen. Beste Nico, doe je vrouw een plezier. Alsjeblieft.

Ik liep de boekenwinkel uit en gaf het baardloze vriendje een zoen.
‘Stond hem wel goed hè, die baard?’ zei hij.
Kleine Dingen kwam hard aan. Toch handig dat ik dat boek van Nico Dijkshoorn heb gekocht.

Blue Valentine

httpv://www.youtube.com/watch?v=sYgr_iGATB4

Vorige week ben ik naar de film ‘Blue Valentine’ gegaan. Een korte samenvatting: Cindy (Michelle Williams, zat ook in Brokeback Mountain) en Dean (Ryan Gosling, zat ook in the Notebook) zijn getrouwd, maar het is geen gelukkig huwelijk. Tijdens de film zie je de flashbacks van hoe hun liefde begon. Klik hier voor de trailer.

Ik moet eerlijk zeggen dat de film me een beetje tegenviel. Ik vind de manier van spelen wel heel goed en leuk, de dialogen zijn heel realistisch. Maar sommige elementen hadden beter uitgewerkt kunnen worden, zoals: waarom is Dean alcoholverslaafd geworden? Hoe zat het tussen Cindy en haar baas?

Het is geen film waar je vrolijk van wordt, maar het is tenminste weer iets anders dan die standaard romantische komedies. Wat ik het leukste van de film vond – op het ontblootte bovenlichaam van Ryan Gosling na – is het liedje wat je ook in de trailer hoort.

Leukste quote:
Dean: ‘In my experience, the prettier a girl is, the more nuts she is, which makes you insane.
Cindy: ‘I like how you can compliment and insult somebody at the same time, in equal measure.’

Wel kijken: Als je de standaard romkoms zat bent en Ryan Gosling een lekker ding vindt (want dat is hij!).
Niet kijken: Als je een vrolijke film wilt zien.

Muziek van de week: Das Pop – Never Get Enough

Mijn muzieksmaak varieert van the Beatles tot Frank Sinatra en van Acda en de Munnik tot U2 . Elke week zal ik je laten kennismaken met een liedje uit mijn muzieklijst en vertellen waarom ik juist dát liedje heb gekozen.

Klik hier voor Das Pop met Never Get Enough.

De tweede keer. De vorige keer was ik gezakt, omdat ik de fietsers niet had voorgelaten op de rotonde. Oeps. Nog een keer examen doen dan maar. Ik was niet zenuwachtig. Nog een half uur. Hmm, wat zal ik gaan doen? Op YouTube zocht ik wat toen mijn favoriete liedje was. Never Get Enough van Das Pop. Ik draaide hem een stuk of vijf keer achter elkaar en toen was ik er klaar voor: de tweede keer haalde ik wél mijn rijbewijs.

A’dam – E.V.A.

Klik hier voor de trailer.

Misschien ken je het al, want het is al een paar weken op tv): A’dam-E.V.A. (Amsterdam en vele anderen). Het is een Nederlandse serie die elke zondag om 21.05 uur op Nederland 2 is te zien. De hoofdpersonen zijn Adam (Teun Luijkx) en Eva (Eva van de Wijdeven, bekend van de serie Dunya en Desie), die buren van elkaar zijn en verliefd op elkaar worden. Tegelijkertijd volgt de serie de levens van tientallen andere mensen, zoals de vuilnisman die een vrouw wil worden en een wethouder die een voetenfetisj heeft.
Als je het nog niet gezien hebt, dan kun je de aflevering terugkijken op www.adameva.nl

Ik vind het zelf een ontzettend leuke serie (ligt het aan mij of worden de Nederlandse series steeds beter?), dus het is zeker een aanrader!