Laura’s liefdesletteren: kermis

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Ze had er het hele jaar naar uitgekeken, maar toen het eenmaal zo ver was, durfde ze niet meer.
‘Gaan jullie maar in de spin,’ zei Louise tegen haar ouders en broers.
‘Gaan jullie maar in de rups, ik wacht hier wel.’
‘Gaan jullie maar in het spookhuis.’
Ondertussen zat ze op een bankje en bekeek met grote ogen de wereld om haar heen. Stoere jongens die beweerden elkaar af te zullen maken in de botsautootjes, stelletjes hand in hand met een gewonnen knuffel, kinderen met een suikerspin in hun plakkerige handjes. De muziek was eigenlijk te hard voor Louises oren en de grond plakte van al het snoep, maar dat merkte ze niet eens.

Misschien volgend jaar. Misschien zou ze dan dapper genoeg zijn voor de attracties.

Al lachend kwamen haar ouders en broers uit het spookhuis gerend. Louise wilde haar hand opsteken, maar ze liepen haar voorbij.
‘Dat was echt te gek!’ hoorde ze Paul zeggen. ‘Waar gaan we nu in?’
‘Laten we maar naar huis vertrekken,’ zei haar vader. ‘Het wordt al laat.’
Een beetje gemor en gezeur, maar vader was de baas.

En zij? Zij liet ze gaan.

***

(Ik weet dat sommige lezers graag langere verhalen zouden willen lezen, maar eigenlijk bevalt het me zo wel. Niet getreurd, want ik ben bezig aan een lang stuk (novelle-achtig) en dat is hopelijk binnenkort af. Ik zoek daarvoor ook lezers, maar ik zal nog wel een oproep doen als het echt af is :))

Laura’s liefdesletteren: leegte

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

(En even specifiek over dit verhaal, want ik kan me voorstellen dat jullie je dat afvragen: dit is niet echt gebeurd!!!)

***

Ze zit op de vloer die zo zorgvuldig is gelegd door haar vader. Het laminaat voelt koud aan haar benen. De stilte is oorverdovend, terwijl die doordeweeks gevuld wordt door kinderlijk geschater van de basisschool aan de overkant. Ze durft niet te kijken naar de muur waar een foto van hen had moeten hangen. De keuken waarin hij voor haar zou koken. De studeerkamer waar later hun kinderen – nee, niet aan denken.
Bij het bekijken van de woning was ze bang geweest voor de lege kamers, het weergalmen van hun stemmen en de afdrukken in de betonnen vloer.
Nu is ze bang voor de leegte in het volle huis.

Fictief interview met mezelf

1604912_10151931103709895_1974125840_n
I’m fabulous.

‘Zo, jij bent écht klein!’ is het eerste dat ik zeg als ik de famous Lauradenkt tegenkom. Ze kijkt me boos aan.
‘Moet jij zeggen.’
Ze heeft die rode winterjas aan, waardoor ze net een rode, boze tuinkabouter lijkt. Misschien kan ik dat maar beter niet tegen haar zeggen. In mijn tas heb ik chocoladekruidnoten, als cadeautje, maar weet je, fuck haar, ik eet ze lekker helemaal zelf op.
‘Zullen we maar gaan zitten?’ zeggen we allebei tegelijkertijd.
Zij neemt warme chocolademelk met slagroom. Shit. Dat wilde ik ook net nemen. Nou ja, dan maar een na-aper. Ik wil mijn eerste vraag stellen, maar word afgeleid door een kat die langs loopt. Laura ziet het ook.
‘Wat een lief poesje!’ gilt ze. Meteen rent ze het koffiezaakje uit om het beest te aaien. Ik twijfel geen minuut en ga ook. We steken allebei onze handen uit. Naar wie zou hij toe lopen? Hij kiest haar. Rotkat.
Na een aaisessie van een uur kunnen we dan eindelijk beginnen.
‘Hoe voelt het om zo famous te zijn?’ vraag ik.
Laura begint te zuchten.
‘Ach weet je,’ zegt ze. ‘Het is echt wel leuk, maar soms zó zwaar. Ik kan niet normaal meer over straat. Iedereen wil wat van je. Een foto, een handtekening, een zoen. Veel mensen zijn ook jaloers, omdat ze niet  tegen mijn fabulousheid op kunnen. Maar ik kan er ook niets aan doen, ik ben gewoon zo geboren.’
Ik weet precies hoe ze zich voelt. Ik ontvang dagelijks duizenden tweets met ‘Omg, ik zag Lauradenkt op straat!i!i! #famous #loveher #toocooltohandle’. Ik heb echt geen tijd om daar allemaal op te reageren. Kom op zeg.
‘Heb je soms het idee dat je te arrogant bent?’
Ze trekt haar wenkbrauwen op.
‘Pardon?’
Shit. Dat kan de bitch natuurlijk niet hebben.
‘Eh, niet dat ik dat vind hoor!’ zeg ik snel. ‘Sommige mensen worden arrogant als ze beroemd zijn.’
Laura schudt haar hoofd.
‘Nee, ik heb geen kapsones. Ik ben net zo normaal als iedereen, als jij bijvoorbeeld. Zo heb ik een vriendje die nauwelijks in de buurt van mijn beroemd- en beruchtheid komt. Eén keer in het jaar doe ik mijn eigen boodschappen. Soms zeg ik zelfs random mensen op straat gedag.’
Pff, kapsones dus.
‘Zoals ik al zei: ik heb hier ook niet voor gekozen.’ gaat ze verder.  ‘Ik ben uitverkoren. Mensen houden gewoon van me. Ze geven me zelfs chocoladekruidnoten, sturen chocolade op… Betaal jij trouwens voor mijn warme chocolademelk met slagroom?’
Tsssss. Vandaar dat ze zo dik is geworden.
‘Serieus? Verwacht jij SE-RI-EUS dat ik jouw drank betaal? Ik ben maar een arme blogger hoor. Rot op, arrogant wijf!’
Ik sla met mijn hand op tafel (au, dat deed pijn) en ren de koffiezaak uit. Dat was eens, maar nooit meer.

Fictief interview met een kat

IMG-20140406-WA0002
Waarom maak je een foto van me, bitsjjjj!

Ik praat dagelijks met katten ‘Hey, lief poesje!’, maar wat als ze terug zouden praten? Dat gaat ongeveer zo:

Ik zie iets bewegen in mijn ooghoeken. Zou het…? Ja, JAAA,  het is een kat! Als een gek trippel ik erop af, waardoor het poesje zich juist steeds verder van mij beweegt.
‘Hey!’ roep ik en maak me klein, want dat vinden katten leuk, dan lijken ze superieur.
Ik steek mijn hand uit en de kat komt nieuwsgierig snuffelen.
‘Rookvlees gegeten?’ vraagt hij, terwijl hij met zijn ruwe tong over mijn hand likt.
Ik knik en kriebel de kat achter zijn oren. Hij begint meteen te spinnen.
‘Wie is er een lief poesje?’ zeg ik met een hoog stemmetje. ‘Ja, jij bent een lief poesje!’
De kat kijkt me boos aan en stopt met spinnen.
‘Doe even normaal ofzo,’ zegt hij.
Pff, die is chagrijnig zeg. Nou, ik doe gewoon alsof ik het niet hoor. Ik begin hem te aaien over zijn rug.
‘Naar rechts, nog een beetje naar onder, oeh ja, daar!’ roept de kat.
Telkens als ik één seconde stop met aaien, begint hij nijdig te blazen, dus ik ga maar door. Wat een mooie vacht heeft hij toch. En zo zacht.
‘Je bent het mooiste poesje van de wereld,’ zeg ik tegen hem. ‘Zo’n schatje!’
Meteen maakt hij een hoge rug en wordt zijn staart dik.
‘Ik ben al bijna zestien jaar en heel stoer,’ zegt hij nijdig. ‘Dus kappen met dat kleffe gedoe.’
Wat een arrogant beest zeg. Geef ik een kat eens complimenten, krijg ik dit divagedrag ervoor terug. Tsss. Ik sta op en loop zo snel mogelijk weg, terwijl ik achter me hoor: ‘Hé, ga je nou niet verder met kriebelen?’

Laura’s liefdesletteren: hand in hand

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

We fietsten altijd hand in hand, hoe klam zijn hand ook was. Mensen maakten er wel eens grapjes over, ‘Klef stel.’, maar voor ons was het de gewoonste zaak van de wereld. Zoiets dééd je gewoon. Als ik alleen fietste, zwabberde mijn linkerarm heen en weer, want het had niets te doen. Ik haatte alleen fietsen.

De kunst van het hand in hand fietsen was hetzelfde tempo aanhouden. Ritmisch bewogen we onze benen, één, twee, drie, in de maat. Op deze manier konden we zelfs andere, slomere, fietsers inhalen. Als we stil moesten staan bij een stoplicht, steunden we op elkaar. Eén keer viel ik bijna, omdat zijn ogen zo mooi blauw waren die dag.

Ook dit punt van de stad, het gevaarlijkste kruispunt waar al jaren mensen over klaagden, fietsen we zo over. Vandaag was het anders. Vandaag was in slowmotion.

Ik remde, hij niet. Het ritme was verstoord en ik voelde zijn hand uit de mijne glippen. Het asfalt kwam hard aan, maar flauwvallen deed ik niet. Het was angstaanjagend stil voor dit tijdstip op zo’n druk kruispunt. Zijn arm lag in een rare hoek. Ik pakte zijn hand weer vast, maar die voelde raar. Alsmaar kouder, terwijl hij net nog gloeiend heet was.
‘Tobias,’ fluisterde ik. ‘Je weet toch dat ik van je houd?’
Tobias wist het niet meer. Zijn blauwe ogen staarden naar de fiets, die aan stukken op de weg lag.

Voortaan fietste ik alleen.

Laura’s liefdesletteren: het asfalt

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Het asfalt is zo heet dat ik de warmte door mijn slippers kan voelen. Maar ondanks de hitte heb ik kippenvel op mijn armen.

Nog maar een paar minuten geleden had ik geschreeuwd, toen de verbijstering en eerste schok over waren. Het besef sloeg bij me in als onweer en ik greep hem bij zijn arm. De arm die gisteren nog om me heen lag. Hij rukte zich los, wendde zijn ogen van me af, terwijl hij zei: ‘Het spijt me.’
Het klonk niet erg gemeend.
‘Ga je echt weg?’
Ik kon het trillen van mijn stem niet onderdrukken. Hij knikte, meer niet. Ik schudde met mijn hoofd, heen en weer, zachtjes, maar steeds harder.
‘Nee, nee, NEE. Je kan me hier toch niet zomaar achterlaten?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Dan kun je even bijkomen.’
De tranen prikten zo hard in mijn ogen dat de woede geen kans had. Hij keek nog één keer om, ‘Dag.’ en liep weg. De wieltjes van zijn koffer verstoorden de stilte en ik keek hoe zijn schaduw steeds kleiner werd.

Laura’s liefdesletteren: tante Maartje

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Tante Maartje reed in een gele auto, uit de jaren zestig kwam hij. Dat had papa gezegd. Thijs telde op vingers hoe lang dat wel niet geleden was. Hij kwam er niet uit. Later zou hij ook zo’n auto nemen inclusief tante Maartje met haar rode haren. Wanneer ze niet op hem paste, keek Thijs op straat of hij haar auto zag. Soms zag hij een gele auto, maar nooit zo geel als die van haar. Soms zag hij een oude auto, maar nooit zo – wacht, dat was hem! De gele auto van tante Maartje!
Hij stond aan de overkant op de stoep geparkeerd, terwijl dat eigenlijk niet mocht. Thijs nam het haar niet kwalijk, want hij deed ook wel eens dingen die verboden waren. Laatst had hij drie koekjes uit de trommel gepakt toen mama net niet keek.
Auto’s zoefden als een razende voorbij, maar hij kon de auto aan de overkant nog steeds zien.
‘Tante Maartje!’ riep hij, maar ze scheen hem niet te horen.
Naast haar zat een man met een grote bril. Hij streek over de rode haren van tante Maartje en fluisterde iets in haar oor. Plotseling gaf hij haar een kus, op de mond. Thijs was helaas net te laat om zijn ogen dicht te doen. Soms, als papa en mama in de keuken waren, gaven ze elkaar ook een kus, heel lang. Mama zei dat mensen kusjes op de mond geven als ze elkaar lief vinden, maar Thijs vond het maar vies.
‘Tante Maartje!’ probeerde hij nog een keer.
Ze bleef maar staren in de ogen van die man. Na drie keer roepen gaf Thijs het op. Gelukkig zag hij tante Maartje morgen weer. Misschien kwam ome Tom dan zelfs mee. Hij verheugde zich er nu al op.

Van denker tot denker: Martine Prange

Foto Martine Prange

“Je moet ook een vrouw interviewen,” zei Jan Sleutels tijdens mijn interview met hem. Hij raadde mij Martine Prange aan, universitair docent en post-doc  aan het Instituut voor wijsbegeerte van de Universiteit Leiden. En zo geschiedde.

Nietzscheaanse migraineaanvallen

In Groningen schreef Prange haar eerste proefschrift over de vrolijke wetenschap van Nietzsche. Daarin heeft Nietzsche het over  het integreren van het zuiden in het noorden. Hoe kwam Martine Prange aan dit onderwerp? “Iedereen die studeert, heeft wel eens het gevoel dat hij te vaak met zijn neus in de boeken zit en dat het echte leven aan hem of haar voorbij gaat. Ik had pas toen ik in Turkije woonde, omdat ik daar ging voetballen, het gevoel dat ik enorm in het leven stond.  Daar zag ik dat Nietzsche in staat was zo’n levensfilosofie te ontwerpen. Ik was benieuwd naar het belang van het zuiden voor zijn vitalistische filosofie en dat is de vraag geweest van mijn eindscriptie, dat later gepubliceerd is als Lof der Mediterranée.”
Zelf probeert Martine ook hier die levenswijze toe te passen, maar dat lukt niet altijd: “Ik was afgelopen jaar op onderzoeksbezoek in Zuid-Italië en kreeg Nietzscheaanse migraineaanvallen hier, omdat ik het vreselijk moeilijk vond om me weer aan te passen aan de noordelijke levensstijl. Maar voor zover mijn leven dat toe laat, probeer ik binnen mijn dagelijkse bezigheden het zuidelijke genieten te integreren.”

Vrouwenvoetbal en filosofie

Nu combineert Martine Prange in haar onderzoek haar twee grote passies: voetbal en filosofie. Zelf voetbalde ze professioneel in België en Turkije. Bij dit onderzoek, dat Prange sinds september leidt, zijn momenteel 9 onderzoekers en 6 maatschappelijke partners betrokken. Prange: “Wij onderzoeken de maatschappelijke impact van meiden- en vrouwenvoetbal in Nederland en zijn onder meer benieuwd naar de weerstanden die meiden ondervinden in de sport en door hun keuze voor deze sport. Helpen of hinderen die weerstanden hen in hun talentontwikkeling en bij het verwerven van een maatschappelijke rol? En hoe combineren zij sport, religie en cultuur bij de ontwikkeling van een bepaalde levensstijl ? Om deze antwoorden te formuleren, gebruiken we het denken van Kant en Nietzsche over weerstand en conflict. Ik ben vanuit mijn Kant-Nietzsche onderzoek al geïnteresseerd naar het belang van weerstand en conflict voor een vitale samenleving.  Juist in sport zijn zie je het belang van competitie, conflict en weerstand als het ware onder een vergrootglas.”

Nut van filosofen

Hoewel veel mensen niet weten wat je met filosofie kunt doen, blijkt het (uiteraard) toch nuttig te zijn. Volgens Prange zit dat hem in de kritische reflectie: “Ik merk dat de filosoof dieper en abstracter weet te reflecteren op concepten dan veel sociale wetenschappers. Dat komt, omdat wij andere vragen stellen. Ik vind het erg belangrijk om te kijken welke methoden worden gehanteerd bij wetenschappelijke onderzoeken. Er wordt namelijk ongelooflijk veel geld aan gespendeerd. Bijvoorbeeld het idee dat ‘wij ons brein zouden zijn’ wordt redelijk onkritisch overgenomen. Het is dan de taak van de filosofen om daar vraagtekens bij te zetten.”
Een andere vaardigheid van filosofen is hermeneutiek, teksten lezen. Helaas is die vaardigheid aan het verdwijnen. Prange: “Studenten krijgen geen tijd meer om überhaupt een boek te lezen, laat staan om te leren hoe ze zo’n boek goed en kritisch moeten lezen. Daarmee is ook de basis voor het kritische denken bedreigd. “
Prange: “Begrippen als “vrijheid” en “racisme” worden te pas en te onpas gebruikt in Nederland, zonder dat iemand daar een heldere definitie van geeft. Als je in het maatschappelijk debat onnauwkeurig omgaat met begrippen, dan ga je ook onnauwkeurig om met ideeën en krijg je dus nooit een fatsoenlijke discussie en dus ook geen goed beleid. De één weet al niet wat hij zelf zegt, laat staan dat hij begrijpt wat de ander zegt. Dat ontbreekt volkomen in het maatschappelijk debat dat in Nederland plaatsvindt en dat komt volgens mij, omdat filosofen niet voldoende worden betrokken in dat debat.”

Het fijne van deze interviews vind ik dat ik steeds meer redenen ontdek waarom filosofie belangrijk is. Ook Martine Prange heeft daaraan bijgedragen. Hoe kunnen we een goed debat volgen als de fundamenten al niet goed zijn? Gelukkig hebben we de filosofie.

Laura’s liederenanalyse: I don’t need you, Alain Clark

httpv://www.youtube.com/watch?v=_2eM4xY2nj8

(terug van lang weggeweest, deze rubriekdinges)

Spotify raadde me dit liedje aan. Spotify had niet meer verkeerd kunnen hebben. Ik bedoel, kijk nou eens naar die tekst. Leuke man hoor, die Alain Clark, maar zo afhankelijk als een kuikentje van zijn moeder.

Het begint nog goed:

Like the sun giving heat to my body
Like the air that I breath
Oké, oké.
Like fun like clean cool water
Ja, is goed joh.
Like the shoes on my feet
Oh, gaan we opeens over op het materialistische?

(…)
I’m not ashamed to admit you’re amazing
Inderdaad, wie zou zich daar nou wel voor schamen, Alain?
I can’t do without you
Eh, dat is dan wel even heel erg overdreven, vooral als je nagaat dat we elkaar nog nooit ontmoet hebben.

I need you
Kom op zeg. Dit gaat te ver.
More than myself, yeah
Oké, dit is bullshit. Hoe kun je mij nou meer nodig hebben dan jezelf? Ik weet wel dat ik heel erg geweldig enzo ben, maar toch. Je kan niet zonder jezelf, want dan zou je niet bestaan. Besef je dat wel, Alain?
I need you
More than you’ll ever know
Dit is erg verontrustend.

(…)
Your love is a fight of importance
‘Cause it keeps me alive
Echt, what the fuck. Kun je je nóg afhankelijker opstellen van iemand anders? Ik ben toch niet je alles, Alain. Toch? TOCH?!

I need you baby (I need you)
You know I do (I need you)
Ja, inmiddels wel, aangezien je het zo’n tachtigduizend keer* hebt gezegd.

Ja, die Alain Clark lijkt een stoere man, maar dat is hij alles behalve. Ik heb eerder al geschreven over dat iemand niet je alles kan zijn, omdat je dan zonder die persoon niets bent en jeetje, Alain doet ALLES fout! Zucht. Nou, laten we het voortaan maar bij kijken houden in plaats van naar (de teksten van) zijn liedjes te luisteren.

*Oké, niet tachtigduizend, maar wel zesendertig keer. Zesendertig keer teveel.

Laura’s liefdesletteren: Anna

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

In paniek kwam Lieke naar de keuken.
‘Mama, je bent het vergeten!’
Sarah dacht na. Moesten ze weer zelfgebakken koekjes naar school meenemen? Of was het luizencheckdag? Ze wist het niet en staarde haar dochter aan. Die schudde haar hoofd. Domme mama.
‘De boterhammen van Anna! Ze kan toch niet zonder eten naar school?’
Sarah keek op de klok. Nog twee minuten max. Ze pakte snel twee boterhammen, propte er wat kaas tussen en gaf het aan haar dochter.
‘Kom, we gaan.’

‘Ik wil geen spruitjes.’
Demonstratief deed Lieke haar armen over elkaar en keek mokkend naar de grond. Sarah zuchtte.
‘Je eet ze gewoon op.’
‘Nee! Anna eet ze ook niet op, hè Anna?’
Elke dag dezelfde strijd. Uiteindelijk at Lieke er zeven (net zoveel als haar leeftijd) met veel tegenzin. Maar de spruitjes op Anna’s bord bleven liggen.

‘Ik wil een kusje. En Anna ook.’
Ze had net twee verhaaltjes voorgelezen, want Lieke was een beetje bang geworden door een film op tv. Alleen voorlezen stelde haar gerust. Sarah boog zich voorover en gaf haar dochter een kus op haar voorhoofd. Ook gaf ze een kus zo’n tien centimeter naast Lieke, aan de lucht.
‘Welterusten, Lieke,’ zei ze. ‘Welterusten, Anna.’
Vlak voordat ze de deur dichtdeed, hoorde ze nog: ‘Anna en ik houden van je, mama.’
‘Ik ook van jou, Lieke.’
‘En Anna dan?’
Het bleef even stil. Hoe lang kon dit nog doorgaan?
‘Ik ook van jou, Anna.’