Van denker tot denker: Jan Sleutels

IMG_2187

Terwijl ik stond te wachten in het gebouw van Wijsbegeerte van de Universiteit Leiden kwam er een man met grijze krullen op me af: Jan Sleutels, onderzoeker en hoogleraar Metafysica.
“Ik heb een lange vergadering achter  de rug,’ zei hij. ‘Vind je het goed als we buiten gaan zitten? Dan kan ik een sigaartje roken.”
Ik zou het niet durven om een man zijn pleziertje af te nemen na zoiets verschrikkelijks als vergaderen, dus stemde ik toe. En wat bleek? Jan Sleutels is niet alleen een filosoof, hij is ook een bricoleur.

Een wat?

Voor de mensen zoals ik die alleen onderbouw-Frans hebben gekregen: een bricoleur is een knutselaar, een doe-het-zelver. Sleutels: “Ik houd van knutselen. Niet alleen met denkbeelden, maar ook met de computer of cement en hout. Geef mij maar iets om te bouwen en ik doe het. Filosofie is voor mij de ultieme Spielerei. Je hebt een arsenaal aan gedachten, denkbeelden en redeneringen, wat zo omvangrijk mogelijk moet zijn. En daar ga je dan mee spelen. Je kunt het vergelijken met een kind dat een doos met lego krijgt en verrukt aan de slag gaat. Dan heb je iets gemaakt, kijk je er even naar, breek je het af en verander je het weer. Dat zit in mij. Ik denk dat het iets mens-eigens is.”

Die Philosophie macht traurige Leute

Maar als Jan Sleutels zo van knutselen houdt, op allerlei manieren, waarom heeft hij dan specifiek voor de studie filosofie gekozen? Sleutels: “Ik wist niet wat ik moest kiezen. Op het gymnasium leerde ik dat filosofie de moeder is van alle wetenschappen. Ik nam mij voor: ik ga een jaar filosofie studeren om bij die moeder van alle wetenschappen een betere keus te kunnen maken.”
Hoewel hij het in eerste instantie een hekel had aan de rare, achterhaalde oude filosofische theorieën heeft hij het toch afgerond en is uiteindelijk docent aan de Universiteit van Leiden geworden. Dat betekent echter niet dat filosofie alleen maar pret is. Sleutels is er wel eens door teleurgesteld: “Soms ben je bezig met het uitwerken van een theorie of het doordenken van een bepaald probleem en weet je er zoveel van dat je beseft: het maakt allemaal geen donder uit. Je kunt duizenden verschillende kanten op en overal zijn fundamentele bezwaren aan te brengen. Wat moet je dan? Het is waarschijnlijk waar wat Schopenhauer beweerde: ‘Die Philosophie macht traurige Leute.’”
Gelukkig is het niet alleen maar ontmoedigend. “Het kan anderzijds ook iets dankbaars hebben. Je kunt namelijk alles relativeren op die manier, ook tegenspoed. Toch is het een valkuil, want je kunt kleurloos worden. Ik probeer die valkuil te vermijden of ik daarin succesvol ben dat moeten anderen maar beoordelen.”

WikiLogics

Eén van de collegereeksen die Jan Sleutels in Leiden geeft, heet ‘WikiLogics’: “Het gaat over de vraag of onze manier van denken verandert onder invloed van veranderende communicatiemedia. Bijvoorbeeld internet, maar je kunt ook denken aan oude media zoals de drukpers. Eén van de manieren waarop ik dat aanpak is door met studenten in kaart te brengen wat de verschillende epistemologische deugden zijn die horen bij bepaalde tijdperken. Deugden zijn dingen waarin je kunt excelleren. Een voorbeeld daarvan is belezenheid, een deugd die bij mijn tijd hoort, maar die misschien helemaal niet meer van deze tijd is. Origineel en innovatief zijn wordt tegenwoordig hoog geprezen, maar dat was eeuwen geleden heel anders.”
Sleutels zou er graag een boek over willen schrijven. “Er is veel aandacht voor in de media, bijvoorbeeld: hoe slecht is de computer voor kinderen? Is Google making us stupid? De filosofie begint op dit punt pas net wakker te worden, vind ik.”

Laura’s liefdesletteren: dislike

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

“Ik had gisteren drie matches!’ roept Ester tegen haar vriendin.
Ze laat ze zien: Danny die maar twee kilometer van haar vandaan woont, Eric die nogal boos kijkt maar wel op zijn minst een eightpack heeft, en natuurlijk Aaron, die duidelijk maar naar één ding op zoek is.
Lisa lijkt te twijfelen: “Die Danny ziet er niet erg betrouwbaar uit. Wat heeft hij allemaal tegen je gezegd?”
Ach, wat weet Lisa er nou van? Die zit al jaren op de bank met suffe Joris. Een date kan toch leuk zijn? Of meer dan dat?
“We hebben gepraat over de clubs waar we naar toe gaan, dat soort dingen. Maar hij heeft nu al vijf uur niets meer gezegd… Zal ik iets tegen hem zeggen? Ja, dat ga ik doen.”
Haar vingers bewegen zich razend snel over het schermpje.
Heb je zin om morgenavond af te spreken?
Oh god, hij is online. “Lisa, hij is online!” Alsjeblieft, zeg ja. Het is inmiddels al een maand geleden dat ze überhaupt alleen met een jongen was, laat staan dat ze wat actie had gekregen.
Vijf minuten verstrijken. Naast haar kijkt Lisa op haar mobieltje. Veel hartjes en ik mis je, liefje. Bah. Danny is niet meer online. Voordat Ester beseft dat hij haar niet meer wil, staat Lisa op: ‘Es, ik ga naar huis. Joris wacht op mij en hij moet morgen vroeg op.”
Als haar vriendin weg is, grijpt Ester haar telefoon weer. Geen berichtje. Een uur later nog steeds niks. Ze staat op en gaat in haar bed liggen, de linkerkant koud en onbeslapen. Ze rolt zich op als een balletje, heel haar lichaam schokt. Pas na anderhalf uur valt ze in slaap. In haar droom ziet ze alles op Tinder weer voor zich: ditmaal drukt ze bij elke jongen op dislike.

Van denker tot denker: Ger Groot

Untitled 1

Via mijn broer kwam ik in aanraking met de filosoof Ger Groot. Groot was namelijk de docent van mijn broer en ik had ook al een aantal stukken van hem in de nrc.next gelezen. Genoeg reden dus om hem te interviewen. Het is een man van vele plaatsen, want hij woont in Brussel, maar werkt aan de universiteit in Rotterdam en Nijmegen. Ik interviewde hem uiteindelijk in zijn pied-à-terre in Amsterdam.

Publieksfilosofie

Toen Ger Groot begon met filosofie studeren, in de jaren zeventig, was filosofie iets wat eigenlijk alleen aan de universiteiten werd gedoceerd. Gaandeweg is filosofie bekender geworden bij een groter publiek in Nederland. “Dat zou je publieksfilosofie kunnen noemen. Dat gebeurde ook via de journalistiek. Ik was in zekere zin één van de eersten die dat deed. Je hebt nu de maand van de filosofie en God mag weten wat allemaal. Soms merk ik wel dat interviewers, bijvoorbeeld bij de radio, vinden dat ze hun luisteraars toch even moeten uitleggen wat voor vreemds dat is, de filosofie.  Maar opgetrokken wenkbrauwen kom ik niet tegen.”

Het vraagstuk van de religie

Eén van de zaken waar Ger Groot vaak over schrijft en denkt, is het vraagstuk van de religie. Hoe moet je begrijpen dat mensen in een wereld die helemaal ontmythologiseerd en onttoverd is en zogenaamd wetenschappelijk is geworden tóch religieus blijven op de één of andere manier? “Als ik een reëel probleem als dit tegenkom, probeer ik ten eerste gewoon te observeren  wat ik zie of wat ik mij herinner uit mijn eigen jeugd of familie. Ten tweede kijk ik natuurlijk naar datgene wat ik erover heb gelezen in de afgelopen decennia. Vervolgens probeer ik erover na te denken en een oplossing te vinden. Daar komt dan op een bepaald moment een tekst uit.”

Literatuur en filosofie

Ger Groot heeft voor de Groene Amsterdammer geschreven, maar schrijft op het ogenblik voor Trouw en het NRC Handelsblad. Religie is niet het enige wat hem interesseert. Ook de verschillen en overeenkomsten tussen literatuur en filosofie is iets waar hij zich mee bezig houdt. “Filosofie spreekt in algemene begrippen en literatuur altijd in singuliere gevallen. Dat zijn twee verschillende logica’s. Maar die hebben wel iets met elkaar te maken, want de filosofie kan zich niet alleen maar blijven ophouden in de abstracte algemeenheid. Dan gaat het op een bepaald moment nergens meer over. En in literatuur spelen ook altijd impliciet binnen die personages en hun specifieke situaties ethische kwesties. Het zijn verschillende logica’s,  ze zijn niet tot elkaar te herleiden, maar het inzicht zit op het punt waar ze elkaar raken.”

Schizofrene situatie

Onze huidige fase van de beschaving omschrijft Ger Groot als een schizofrene situatie. Aan de ene kant hebben we een overmaat aan rationaliteit, maar tegelijkertijd ook een overmaat aan emotionaliteit. ‘Dat zijn de Verlichtingstraditie en de Romantische traditie. Die twee zijn uit elkaar gegaan ergens in de loop van de moderniteit. Mijn inzet van de filosofie zou zijn dat die twee weer bij elkaar gebracht moeten worden, zodat ze elkaar kunnen beperken of nuanceren. De Romantische traditie moet laten zien dat er nu eenmaal altijd een rest of een diepte is die zich niet volledig laat beheersen. Maar de Verlichting laat dan weer zien dat het idee van de emotie, die heel sterk is in deze cultuur geworteld zijn geraakt, extreem en zelfs gewelddadig kunnen worden wanneer ze aan zichzelf worden overgelaten.  Dus in die zin moeten die twee elkaar begrenzen. Eén van de grote problemen van de huidige cultuur is dat ze los van elkaar zijn gemaakt en allebei op hol geslagen zijn.”
Wat kunnen we daar zelf aan doen? Dat vereist een zeker inzicht. “Je zult bijvoorbeeld moeten leren inzien dat pijn er altijd zal zijn. En dat het streven naar geluk moet onderkennen dat honderd procent geluk een illusie is. Uit dat feit moet je bepaalde consequenties trekken, namelijk dat er een grens is aan naar dat streven ernaar en dat de frustratie ervan onontkoombaar is. Als je dat inziet, als je dat ervaart, dan word je een stuk minder opstandig op het moment dat je je in je geluk gedwarsboomd voel.”

Boeken en krantenartikelen

Het lijkt me fijn om Ger Groot als docent te hebben. Hij praat dusdanig rustig dat ik gewoon kan meeschrijven met wat hij zegt en wat hij vertelt is interessant, maar niet zo moeilijk dat ik het niet kan bevatten. Helaas is dat niet voor iedereen mogelijk, maar niet getreurd: er zijn nog altijd zijn boeken en stukken in de krant.

Laura’s liefdesletteren: vier maanden, twee weken, twaalf dagen en een paar uur

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Ze waren nu al vier maanden, twee weken, twaalf dagen en een paar uur samen. Niemand in de klas had ooit zo lang verkering gehad.
‘Jullie gaan volgend jaar zeker trouwen en kinderen krijgen!’ plaagden ze, maar dat kon Tom niets schelen. Ze waren gewoon jaloers.
Hij wist eigenlijk niet wanneer hij het voelde. Al langer dan die vier maanden, twee weken, twaalf dagen en een paar uur. Misschien door een film, want in films zeggen ze die dingen altijd zo makkelijk. Of gewoon in bed, toen hij aan Saskia dacht en gloeiende wangen kreeg. Niet dat hij alleen in bed aan haar dacht, nee, eigenlijk de hele dag door. Zijn laatste rapport was ook slechter geweest, ‘Niet zoveel aan het vrouwtje denken!’ had zijn vader gezegd, maar hoe kon hij zich nou concentreren tijdens de les als er zo’n mooi meisje naast hem zat? Soms schreef ze hem briefjes met veel hartjes erop. Hij had ze allemaal bewaard.
Hij dacht na over het goede moment. Ze waren niet zoveel samen, één middag per week als hij geluk had, want ze moest naar paardrijden en pianoles en natuurlijk haar vriendinnen. Ze giechelde veel met die vriendinnen, soms keken ze allemaal naar hem. Hij keek alleen naar haar.
Als ze dan een middag samen waren, stormde Saskia’s moeder – want het moest altijd bij Saskia thuis zijn – regelmatig binnen.
‘Oh, vergeten je kleding terug te hangen!’ riep ze dan.
Dat vergat ze wel erg vaak.
Het duurde twee maanden, voordat hij een kus op haar mond durfde te geven. Laatst wilde hij het met tong proberen, dat had hij op tv gezien, maar dat leek Saskia heel vies. Dat maakte niets uit. Ze hadden nog hun hele leven samen voor zich. Maar nu moest hij het wel echt zeggen, want de woorden drukten op zijn lippen zoals haar kussen. Dus tijdens die middag, ze waren vier maanden, twee weken, twaalf dagen en een paar uur samen, zei hij het.
Saskia was haar haren aan het borstelen, waar lichtjes van goud in zaten. Het was zacht als je het aanraakte, maar dat mocht meestal niet, want dan gingen haar haren door de war. Tom schraapte zijn keel.
‘Saskia?’
‘Ja?’
Ze keek niet naar hem om en zag dus niet dat zijn wangen gloeiden en oh, wat trilden zijn handen toch! Hij haalde even diep adem.
‘Ik hou van jou.’
Nu draaide ze haar gezicht naar hem om, glimlachte en antwoordde: ‘Dankje.’
Opeens was Tom er niet meer zo zeker van dat ze hun hele leven bij elkaar zouden blijven.

Laura’s liefdesletteren: een ochtend

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Elke ochtend om 7.01 uur precies (ik heb het meerdere malen gecheckt) vliegt Minoes op mijn voeten af. Nog in mijn halfslaap beweeg ik ze van boven naar onder, van links naar rechts, en speel het spelletje mee. Als ze dat merkt, springt ze van het bed af en miauwt klaaglijk bij de deur: baasje, het is tijd om op te staan.
Deze keer komt ze echter bij me liggen, in het warme holletje dat ik tijdens mijn slaap heb gecreëerd. Ik krab achter haar oortje en vraag me af waar ik dit aan verdiend heb. Maar na vijf minuten is het toch echt tijd om te douchen. Ze loopt met me mee naar de badkamer, blijft er dralen, totdat de stralen water mij overspoelen. Met haar grote, groene ogen staart ze me aan, alsof ze mijn gedachten kan lezen. Was het maar zondag. Op zondagen lees ik een boek op de bank, terwijl zij naast mij ligt te slapen. Als ze het zat is, gaat ze op mijn schoot liggen en knuffelen we extra lang.
Maar nu is er geen tijd om te knuffelen, want ik moet over een kwartier al op mijn werk zijn.
Samen ontbijten we, zij met haar brokjes, ik met mijn yoghurt. De krant mag ik van haar niet lezen vandaag, ze kreukt hem met haar pootjes.
‘Nou Minoes,’ zucht ik tegen haar. ‘De week is weer begonnen.’
Ze kijkt me aan en miauwt zachtjes. Weer een week vol slapen, geaaid worden en achter vliegen jagen. Wat een leven. Snel ruim ik op en rammel met mijn fietssleutels. Minoes rent op me af en geeft me kopjes. Samen lopen we de deur uit.
‘Doei Minoes, tot vanavond!’
Ze is al weg, voordat ik op de fiets ben gestapt. Ik heb wind tegen en ben aan de late kant, dus trap ik stevig door. Maar bij het kruispunt kom ik niet verder. In het midden, waar de vier wegen elkaar kruisen, staan mensen in een kring. Een vrouw druk pratend aan de telefoon, een kind dat huilt en gewijs, heel veel gewijs. Geïrriteerd stap ik van mijn fiets. Moet dit nou echt op déze ochtend? Tussen de mensen zie ik iets op de grond liggen. Een grijs lijfje met donkere strepen.
De tranen vallen tegelijkertijd met mijn fiets.

Van denker tot denker: Denker des Vaderlands René Gude

Gude, René door Sarah Wong4 (2012)
Fotografe: Sarah Wong

Op een dag dacht ik: goh, ik ga eens De Wereld Draait Door terugkijken. Dat was een verstandige keuze, want daar was deze keer Denker des Vaderlands René Gude te gast. Hij vertelde zo interessant en bevlogen dat ik dacht: deze man moet ik interviewen. En dat interview was zo leuk dat ik dacht: weet je wat, ik maak een interviewserie met filosofen. En dat is hoe deze serie ‘Van denker tot denker’ tot stand is gekomen.

Denker des Vaderlands

Na een tocht met het pontje in Amsterdam, wat voelde als vakantie, en enig zoekwerk (ruimtelijk inzicht, wat is dat?) kwam ik terecht bij de woonboot van meneer Gude. We nestelden ons op het terras en met kwetterende vogeltjes als achtergrondmuziek begon René te vertellen. In mei volgde hij filosoof Hans Achterhuis op als Denker des Vaderlands. In veel interviews heeft René het erover wat hij anders doet dan zijn voorganger, maar ik vroeg wat hij juist zou blijven doen:
René: ‘Wat ik van Hans Achterhuis heel goed vind, is dat hij een onvoorstelbare kennis heeft van de politieke filosofie. Daarnaast heeft hij ook een heel praktische bewogenheid en spant zich in om de theorie werkelijk dienstbaar te maken aan de politieke praktijk van nu. Dat wil ik ook doen. Niet alleen maar aan de zijlijn blijven staan om na te denken, maar het resultaat van het nadenken weer terugploegen in de samenleving.’
Eén van de maatschappelijke kwesties waar onze Denker des Vaderlands zich momenteel mee bezig houdt, is de bezuinigingen op het leger. Wat hij daaraan interessant vindt, is dat er in deze tijd geen helder idee is over wat we met het leger moeten.
‘Tot en met de Koude Oorlog had het leger een heel heldere taak, dat was namelijk om de vijand – en dat was dan Rusland – tegen te houden op het moment dat die met honderden tanks deze kant op zou kunnen rijden en die moesten wij toch met staal op staal terug kunnen dringen. Maar inmiddels is die dreiging helemaal weggevallen. We hebben al vanaf 1945 geen oorlog meer op ons grondgebied gehad. Dat is een absurd lange tijd. En daarom zijn er in de tussentijd heel veel generaties gekomen die nog nooit oorlog op eigen grondgebied hebben meegemaakt en ook niet weten wat dat betekent. We hebben zelfs geen redenen om aan te nemen dat het voorlopig gaat optreden en hebben dus geen idee wat je met een leger moet. En als je geen helder idee hebt, kun je doorgaan met bezuinigen, bezuinigen, bezuinigen, allemaal ten gunste van onderwijs en zorg, waar ik ook erg voor ben, maar voor je het weet, is ons hele leger ontmanteld.’
De vraag is volgens René dan: passen we het leger aan aan nieuwe taken, die we dan eerst wel goed moeten verzinnen, of bezuinigen we het langzaam maar zeker helemaal weg? René ziet het als zijn taak om als Denker des Vaderlands te zorgen dat we het ene en het andere niet doen, voordat we er goed hebben over nagedacht, op een manier die leidt tot praktische, uitvoerbare opties voor zowel het Nederlandse leger als de politiek en de burger.

Denken

Een groot voorbeeld voor René is de – gelijknamige – filosoof René Descartes. Waar Descartes hem, en nu ons, op wees, is dat we gewend zijn om onszelf als fysieke personen in een fysieke wereld te zien. Maar het denken zelf verdient ook aandacht, omdat het niet alleen materiële dingen zijn die ons beïnvloeden en waar we indrukken van krijgen, maar ook bijvoorbeeld de namen van materiële dingen.
René: ‘Dus jij zegt dat jij uit Oegstgeest komt, dan denk ik meteen Terug naar Oegstgeest, Jan Wolkers en voor je het weet, hebben wij hier een gesprek over Jan Wolkers die inmiddels al overleden is. Ik heb het boek lang geleden gelezen, het staat nog in de kast, maar het ligt in ieder geval niet hier op tafel. Jij hebt dat boek misschien wel of niet gelezen, maar toch weet je waar ik het over heb. En dat is toch fantastisch? Dus Jan Wolkers is hier niet materiaal aanwezig, het boek is hier niet materieel aanwezig en Oegstgeest ook niet, maar wij weten door een paar woorden tegen elkaar te roepen meteen waar het over gaat.’
In ons leven maken we ongelooflijk veel gebruik van het vermogen om hele werelden te creëren naast de concrete wereld waar we ons in bevinden. Volgens René heeft filosofie als opdracht om te zorgen dat je in die gedachtewereld de draad niet kwijtraakt. Dat doe je door naar gemeenschappelijke vertrekpunten te zoeken, dat je van de ene stap naar de andere gaat en daarbij zodanig beargumenteerd ook de weg nog terug te vinden. Hij noemt dat, gepaard met een lach, het Klein Duimpje-effect. Maar hoe zit het dan met piekeren?
‘Er is een mooi citaat van de stoïcus Epictetus en dat zegt: ‘Het zijn nooit de dingen die ons in verwarring brengen, het zijn altijd onze voorstellingen van de dingen.’ En dat is een hele sterke, want als je de zin inziet van die uitspraak, dan betekent het meteen dat je op het spoor komt. Je moet eerst de dingen met rust laten en je voorstellingen van de dingen proberen in de klem te krijgen. En als je dat doet, dan ben je al halverwege met een oplossing te vinden voor gepieker. Want gepieker is per definitie gedachten die volkomen losgeraakt zijn van de dingen waar ze over zouden kunnen zijn. Van het ene naar het andere springen, zonder gedachten die je vervolgens ook om kunt zetten in handelingen.’

Filosofie

Zelf is René filosofie gaan studeren, omdat hij juist niet goed kon nadenken. Het heeft een tijdje geduurd, maar op zijn 56e studeerde hij af en in 1990 begon hij bij Filosofie Magazine. Daar merkte hij dat er gek tegen filosofie werd aangekeken en dat er daarin twee groepen waren:
‘Eén club dacht: dat is veel te ingewikkeld, die lui doen veel te moeilijk en zitten zwaar in allerlei diepere gronden te zoeken. En de andere club zei: het is veel te oppervlakkig, het is een soort van geitenwollensokkenspiritualiteitgeëmmer. Maar in beide gevallen heb je het niet nodig. Het interessante is natuurlijk dat filosofie niet allebei kan zijn. Het is óf diepgravend naar gronden zoeken óf het is oppervlakkig en flierefluitig. Maar inmiddels is filosofie geen malle term meer.’
Dat is duidelijk te merken. Filosofie krijgt een plaats op festivals (bijvoorbeeld Brandstof op Lowlands), er worden steeds meer lezingen gegeven en ook De Wereld Draait Door besteedt er meer aandacht aan: sinds het nieuwe seizoen is René Gude huisfilosoof geworden. Dat vind ik een goede en leuke keuze, want het was zeer interessant om René te interviewen. Hij weet vol passie te vertellen over filosofie, maar wel op zo’n manier dat zelfs een leek het nog begrijpt. In het gesprek zaten zoveel interessante elementen dat het moeilijk was om te kiezen. Eén gedachte die ik al had is in ieder geval door hem bevestigd: filosofie is niet flierefluiterig, filosofie is interessant!

Laura’s liefdesletteren: de brief

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Een sok in het midden van de kamer. Een chipszak verfrommeld in de hoek van de bank. En dan die volle vuilniszak. Ze had het bijgehouden: al drie hele dagen stond die daar. Ze kon de geur in de keuken niet meer verdragen. Nu was het genoeg.
‘Gerard.’
Niks.
‘Gerard!’
Zijn hoofd verscheen om het hoekje. Een frons boven zijn wenkbrauwen.
‘Wat?’
‘Je hebt de vuilniszak nog steeds niet naar buiten gebracht.’
Hij krabde wat aan zijn haar, het haar dat ze vroeger zo mooi vond, maar dat nu kale plekken begon te vertonen.
‘Ik doe het straks wel.’
Die woede. Het borrelde eerst langzaam op en kwam dan als een vuurpijl omhoog.
‘Nee, Gerard, nee. Dit is al de zoveelste keer. Ik moet ook alles zelf doen!’
De vuilniszak knalde overal tegenaan op de weg naar buiten. Terwijl ze hem in de container deed, iets agressiever dan gebruikelijk, scheurde hij en vielen er wat bierblikjes uit. Woedend gooide ze die er weer in.
Ze stampte de trap op, plantte de hakken van haar schoenen zo hard mogelijk in de vloer toen ze langs zijn computerkamer liep. Eenmaal aangekomen in de slaapkamer, ze zag zijn kleding van de vorige dag op de vloer liggen, blies ze langzaam in en uit.
De brief.
Ze deed de deur van de kledingkast open en ging op haar knieën zitten. Eerst de schoenendoos van laarzen die ze al jaren had. Daarin een tasje en dan uiteindelijk, in vele lagen bubbeltjespapier, de brief.
Met jou is het leven mooier. Ik hou van je. Liefs, Peter.
De woorden gebrand in haar hoofd. Soms meende ze een vlaag van zijn parfum te ruiken. Nog twee dagen en dan was het weer weekend. Dan was ze weer bij hem.
Bubbeltjespapier na bubbeltjespapier. Eerst legde ze die nog rustig op een stapeltje naast haar, maar het stapeltje werd steeds hoger en toen keek ze weer in het tasje.
Het was leeg.
Het duurde enkele seconden voordat het besef kwam.

Liefdeslessen van tante Laura: hoe vraag ik mijn vriendin ten huwelijk?

Allereerst: gefeliciteerd! Wat ontzettend fijn dat je je wil verbinden aan een – in principe levenslang, maar in de realiteit zo’n twee jaar durend – huwelijk. Bereid je maar voor op jaren vol liefde, spetterende seks en leuke kinderen. Oh en vergeet de bruiloft zelf niet. Ja, het kost een godsvermogen, maar daar krijg je een onvergetelijke dag voor terug, waar maar een beetje planning en geld aan vooraf gaat.

Goed, allereerst moet je natuurlijk een ring hebben. Er zijn eigenlijk twee opties. Of je koopt een goedkoop dingetje bij de Lucardi (liefde gaat niet om geld toch?) of een enorme joekel van een diamant (zodat ze ziet dat je écht van haar houdt) die zo groot is dat ze haar hand niet meer omhoog kan houden.

Dan: waar ga je haar ten huwelijk vragen? Ook hier zijn twee opties, om het eenvoudig te houden. Je kunt haar ten huwelijk vragen, terwijl ze op de bank naar Grey’s Anatomy kijkt (‘Nu even niet, Gerrit-Jan.’), want daar zitten jullie immers elke dag op. Meer ‘jullie’ kan het niet worden. Of je neemt haar mee naar Parijs, boekt een shabby motelletje en vraagt op de Eiffeltoren of ze met je wil trouwen. Origineler kan niet.

Maar wat moet je in hemelsnaam tegen haar zeggen? No worries, tante Laura heeft overal een antwoord op. Er zijn, geloof het of niet, weer twee mogelijkheden. De eerste: ‘Nou eh, zullen we dan maar trouwen ofzo. Als het echt moet.’ En de tweede: ‘Ooooh knuffiewuffie, jij bent mijn alles. Wij zijn ntb, ik wil je nooit meer kwijt. Wat moet ik toch zonder jou? Jij bent het deken bij mijn kussen. Je bent de melk in mijn koffie. Jij bent de afval in mijn vuilniszak. Wil je met me trouwen, snoepiewoepie?’

Alle opties die ik heb gegeven, zorgen gegarandeerd voor succes. Maar niet vergeten om tante Laura uit te nodigen voor je bruiloft hè?

Fictief interview met Oegstgeest

Ik was gewoon thuis, toen er plotseling iemand in mijn kamer stond: het was Oegstgeest. Feitelijk is hij er altijd al, maar hij besloot me nu aan te spreken.
‘Zo, dus dit is nu je kamer?’
‘Ja, Oegstgeest,’ antwoordde ik.
‘Wist ik al haha. Ik weet alles.  ALLES.’
Hoewel hij lachte, werd ik toch een beetje bang. Wist hij echt alles?
‘Ja, zo weet ik bijvoorbeeld dat je nu bijna een jaar in mij woont.’
Dat klopte. Een jaar alweer. Goh zeg. Wat ging de tijd toch snel. Hoe wist hij dit allemaal toch?
‘En in een jaar tijd weet je nog steeds niet waar het zwembad is. Je hebt nog maar één kasteel gezien van de twee. Je bent pas begonnen met Oegstgeest ontdekken toen je ging skeeleren. Je bent nog nooit in Warmond geweest, terwijl dat dichterbij dan Leiden is.’
Ik moest het toegeven, dus knikte en knikte ik. Oké, ook omdat ik best wel bang van Oegstgeest was. Ik snapte eigenlijk niet waarom Jan Wolkers terug naar Oegstgeest ging.
‘Over Leiden gesproken: daar houd je wel van he?’
Oh jee.
‘Eh, het is een leuke stad.’ zei ik.
Oegstgeest kwam steeds dichterbij. Mijn gezicht raakte bijna de zijne.
‘Ja, dat is te merken. Meerdere malen in de week fiets je van me weg om naar Leiden te gaan. Pff, Leiden. Wat heeft Leiden dat ik niet heb? Oh het is groter? Nou en. Klein is fijn. Dat roep je zelf ook altijd.’
Shit. Ik wilde geen ruzie met Oegstgeest, want hij is nogal intimiderend. Hoe kon ik dit nou oplossen? Er verscheen een brandend lampje boven mijn hoofd.
‘Maar lieverd, ik kom toch altijd weer naar je terug? Ik kom altijd terug naar Oegstgeest. Jij bent mijn veilige haven.’
Oegstgeest glimlachte en er verschenen blosjes op zijn wangen. Hij staarde verlegen naar de grond, terwijl hij vroeg: ‘Meen je dat echt?’
Ik knikte. Daarna is Oegstgeest nooit meer vervelend geweest.

(stiekem ga ik nog steeds naar Leiden, maar niet aan hem vertellen hoor, want ik kom altijd terug naar Oegstgeest!)

Laura’s liefdesletteren: alles moet fris

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

In het glas zit nog een restje cola. Mijn vest heeft de zoetige geur die hij met zich meedraagt. Op mijn nachtkastje staat de foto uit Parijs. Ik leg het lijstje op de kop. Ik pak het knuffelbeertje, de bioscoopkaartjes, zelfs het gouden armband en stop het in een vuilniszak. Alles moet fris. Ergens op de bank trilt mijn telefoon. Zou hij toch-
Het is mijn moeder. Of ik morgen mee eet. Ik antwoord niet.
Ik moet mijn muur groen verven. Of  een fotoboek maken met tekeningen en tekstjes. Maar foto’s waarvan? Niet van-
Nee, ik knip mijn haar. Minstens tien centimeter moet eraf. Fris. Alles moet fris.
Vanaf nu kan ik doen wat ik wil. Geurkaarsen branden, zelfs de vanillegeur. De Titanic drie keer achter elkaar zien en dan steeds harder huilen. Chocolade eten, zonder gezeur om suikers. Een joggingsbroek naar buiten dragen, ook al is dat niet sexy.
Maar ik wil het niet.
Wanneer ik onder de douche sta, komt het besef tegelijkertijd met het inzepen: met het wassen is zijn geur weg. Hij is echt weg.
Het douchewater vermengt zich met de tranen. Fris, fris, alles moet fris.