Het nadeel van Literatuurwetenschap en Wijsbegeerte studeren

Nee, het is niet dat je er 0 euro’s mee verdient.

Nee, het is niet dat iedereen vraagt: ‘En… wat kun je daar nou eigenlijk mee?’

Het gaat erom dat je je veel meer bewust bent van je eigen fouten en überhaupt van vervelende dingen in het leven. Nu ben ik sowieso al geen positief zonnestraaltje dat strooit met uitspraken als ‘Ik accepteer mezelf zoals ik ben.’ of ‘Na regen komt altijd zonneschijn’. Maar het is er niet beter op geworden.

Neem nou Literatuurwetenschap. In Leiden is één van de specialiteiten gender. Ik vind het heel boeiend, maar het verontrust me ook wel. Want daardoor is het me nóg duidelijker geworden dat er een verschil is tussen hoe mannen en vrouwen worden behandeld en erger nog: dat dat waarschijnlijk nooit echt over zal gaan (want we hebben die tweedeling ook nodig om de wereld in te delen) en dat ik het zelf ook in stand houd (door bijvoorbeeld lief met mijn ogen te knipperen als de conducteur langskomt en vergeten ben in te checken).

En filosofie. Door deze studie ben ik me vooral bewust van mijn eigen fouten. Verkeerde denkpatronen, bepaalde vooroordelen… I’m guilty. Iedereen is guilty. Maar het is vervelend om te weten dat je het verkeerd doet en het desondanks tóch blijft doen. Verandering is niet altijd even makkelijk namelijk.

Maar goed, het levert natuurlijk ook weer veel op, zo’n studie Literatuurwetenschap en Wijsbegeerte. Behalve geld. Dat dan weer niet.

Het gonst overal van de meningen

‘Belachelijk dat zwarte Piet weg moet!’
‘Die juweliersvrouw had het volste recht om die inbreker neer te schieten.’
‘Hoofddoekjes zouden verboden moeten worden.’

Ik noem zomaar wat meningen (let wel: NIET mijn mening, eigenlijk precies het tegenovergestelde). Ze gonzen overal, je hoeft maar op de bus te wachten of je wordt al bestormd met de mening over dit of dat, al is het maar over het weer. Vermoeiend eigenlijk. Vooral omdat ze vaak op weinig gegrond zijn.

Vaak worden mensen in dit soort discussies heel boos (toegegeven, ik ook, ik kan me een verjaardag herinneren waarbij mijn broer, broertje en ik keihard tegen iemand in ging die beweerde dat een kassameisje met een hoofddoek op aanstootgevend is), maar eigenlijk is dat veel te makkelijk en misschien wel zinloos.

Een discussie moet van twee kanten komen en beide kanten moet naar elkaar luisteren en spiegelen. Dat is iets wat ik heb geleerd bij Literatuurwetenschap en houdt in dat je in je EIGEN woorden probeert uit te leggen wat de ander net zei, zodat je erachter komt of je hem/haar goed begrepen hebt.
‘Oké, als ik je goed begrijp, probeer je dan te zeggen dat roze een mooiere kleur is dan blauw?’
Je moet eerst de ander goed begrijpen, voordat je kunt reageren. En daarvoor heb je gegronde redenen, argumenten nodig. Niet aanvallen op de persoon, geen cirkelredenering, niet op basis van emotie. Nee, logica.

Socrates (één van de eerste Griekse filosofen) deed dit ook en dat heeft hem zijn leven gekost. Het zou fijn zijn als het leegdrinken van de gifbeker door hem nog iets opleverde.

Dus probeer het bovenstaande eens toe te passen. Tel tot tien, houd je woede in en luister. Wellicht leer je nog wat nieuws.

Niveau

Ik vind mezelf niet bijster slim, niet meer dan gemiddeld. Maar wacht, wat is gemiddeld dan? Als ik erover na ga denken, kom ik vrijwel alleen in aanraking met hogeropgeleiden. Mijn familie, mijn vrienden, er zit geen laagopgeleide tussen. Niet zo gek dus dat ik mezelf niet slim vind, terwijl ik dat (en dit klinkt arrogant, maar zo bedoel ik het niet) eigenlijk wel ben.

Het merendeel van de Nederlands heeft VMBO gedaan en ik doe de universiteit. Maar omdat ik vrijwel alleen met HBO’ers en mensen van de universiteit omga, ben ik dat niveau ook als normaal gaan zien.

En dat is eigenlijk niet goed, want zo zit ik in mijn eigen wereldje en wordt begrip voor ‘de ander’ lastig. En omgekeerd geldt dat natuurlijk ook: jouw vrienden zijn waarschijnlijk ook van jouw niveau (want je kent ze van de middelbare school bijvoorbeeld). In welk opzicht heeft dat invloed op jouw manier van denken en hoe je tegen de wereld aankijkt?

Iets om over na te denken.

Zoete herinneringen en de soms bittere werkelijkheid

Nostalgie is een gevoel dat mij vaak overkomt, soms al voordat het verleden tijd is. Ik wil dat iets zo lang mogelijk blijft duren, maar juist omdat er een einde aan komt, wordt de waarde vergroot. Toch zit er ook een pijnpunt.

Zo ging ik een aantal jaren geleden weer naar mijn oude middelbare school om mijn geschiedenisleraar te interviewen voor mijn blog. Het voelde zó raar. Het was vertrouwd, maar tegelijkertijd zo anders. Bankjes waren in een andere kleur geverfd, ik herkende leerlingen niet, mijn kluisje was niet meer van mij, maar de herinneringen kwamen alsof het gisteren was.

En dat vind ik naar. Het besef komt dan zo hard aan: het zal nooit meer hetzelfde zijn. Alles gaat door, ook zonder mij. Ik kan het verleden niet vasthouden, want de veranderingen in de werkelijkheid gaan door.

Daarom ga ik liever niet terug naar plaatsen van vroeger. Het is confronterend. Bijvoorbeeld het dorp waar ik 21 jaar lang heb gewoond, bij mijn ouders. Het is mijn lieve, oude dorpje, maar het is niet meer van mij. Het centrum is veranderd. Winkels zijn weg of er juist bijgekomen. Mijn ouders en broertje praten over dingen waar ik niet bij was. Maar ik kan er niet aan ontsnappen, want ik wil mijn familie natuurlijk wel zien.

‘Kom je een keer op bezoek?’ is mij gevraagd na afloop van bijbaantjes, vrijwilligerswerk en stage. ‘Ja, natuurlijk!’ antwoordde ik dan. Maar ik deed het niet en bleef me liever vasthouden aan de zoete herinnering dan aan de soms bittere werkelijkheid zonder mijn rol daarin.

Er is maar één remedie: het toch doen. Binnenkort ga ik naar mijn oude stageplek (het Letterkundig Museum), omdat een auteur van mijn huidige stage (Heleen van Rooyen, ik loop stage bij Dutch Media Books) daar een expositie heeft. Ik zal de plek waar ik zovele uren heb beleefd omarmen als een oude vriend. Maar een beetje pijn zal het toch wel doen.

Losers & succes

httpv://www.youtube.com/watch?v=MtSE4rglxbY

Je moet een studie volgen. Een bachelor, maar het liefst ook een master. Goede cijfers halen (met minder dan cum laude kun je eigenlijk niet aankomen), maar denk maar niet dat je al je tijd aan je studie mag besteden. Je moet in het bestuur van je vereniging zitten, een stage bij een superawesome bedrijf lopen (dus niet het plaatselijke sufferdje), een relevante bijbaan hebben, netwerken, bloggen, een sociaal leven leiden, zo veel mogelijk volgers op social media hebben én dit alles delen met zoveel mogelijk mensen.

Vermoeiend he?

Maar als je het niet doet, dan ben je een loser. Als je niet slaagt, is het je eigen schuld.

Deze gedachte komt in ieder geval vaak voor in de huidige samenleving. Presteren en succes is alles en bovendien maakbaar. Als jij geen goede baan hebt, dan komt dat, omdat je niet hard genoeg geprobeerd hebt en dat maakt je een loser.

Ik merk dat ik er zelf ook word door beïnvloed. Ik zet het niet op Twitter als ik een weekendje niets doe, maar als ik naar een hip evenement ga, dan tweet ik er wel over. Eén stage is niet genoeg, het moeten er meerderen zijn en dan wel wel bij bijzondere bedrijven.

De filosoof Alain de Botton praat hierover in het filmpje (en over nog veel meer interessante dingen). Is het niet gek dat we doen alsof iedereen gelijk is in dat opzicht? Dat we allemaal succes kunnen hebben als we er maar moeite voor doen? Terwijl bijvoorbeeld geluk ook een grote rol speelt.

Eén boodschap dat mij raakte van Alain de Botton was: je kunt niet overal in slagen. Je kunt niet op elk gebied succes hebben. En dat hoeft ook niet.

Iets om over na te denken vandaag.

Het is zoals ik het zie

Pietje en Marietje zijn al jaren bij elkaar, niet altijd even gelukkig. Pietje vindt namelijk dat Marietje ontiegelijk lui is. Het is net alsof ze die sokken op de vloer niet ziet, ze stapt er gewoon overheen alsof ze er niet zijn. En de vuilniszak buiten zetten? Heeft ze al maanden niet gedaan.
Marietje vindt Pietje een zeurpiet. Na een lange dag werken (ze werkt in een lunchtent, waarbij ze dus heel lang op haar voeten moet staan en weinig pauze heeft) is ze helemaal kaputti. Ze vindt het al heel wat dat ze op woensdag, haar enige vrije dag, het hele huis schoonmaakt. Ze heeft Pietje nog nooit met een wcborstel in de hand gezien.
Het is een random dag en het was niet zo druk vandaag in de lunchtent. Marietje pakt een paar sokken op, gooit ze in de wasmand en brengt zelfs vuile borden en glazen naar de keuken. Stiekem is ze best een beetje trots op zichzelf en verwacht een compliment van Pietje. Maar het enige wat hij zegt, is: ‘Goh, dat werd eens tijd.’
De zoveelste ruzie is weer begonnen.

Het is zomaar een voorbeeld en niet eens uit het echte leven gegrepen. Allebei hebben ze verwachtingen en een bepaald beeld van wat er gedaan moet worden. Pietje snapt niet dat Marietje ZO lui kan zijn, maar Marietje denkt alleen maar aan hoe hard ze heeft gewerkt en hoe kaputti ze daarvan is, maar dat ziet Pietje weer niet.

Een tijdje geleden heb ik het boek Het romantisch misverstand van Jan Drost gelezen en ik ben van plan om er nog een aantal blogjes over te schrijven. Bovenstaande situatie heb ik bedacht naar aanleiding van dit citaat uit het boek:

Als wij naar de wereld en de mensen om ons heen kijken, als wij het ware vanuit de beslotenheid van ons innerlijk naar buiten blikken, dan nemen wij doorgaans aan dat wat wij zien is zoals wij het zien. Dat de mensen die wij zien, zijn zoals wij ze zien. Dit is misschien wel een van de voornaamste oorzaken van de misverstanden en problemen die zich tussen mensen voordoen: dat wij denken dat de wereld en de mensen zijn zoals wij ze waarnemen.’ Blz. 134

Je herkent het vast wel. Je kunt je gewoon níet voorstellen dat mensen vrijwillig plofkippen eten. En waarom zijn er in godsnaam mensen die ‘ik vindt’ schrijven? Of een voorbeeld van mezelf: hoe kun je niet snappen dat bepaalde vooroordelen racistisch zijn?

Wat kunnen we hier tegen doen? Zoveel mogelijk communiceren, niet alleen met ‘ons soort’ mensen, maar juist ook met mensen die verder van ons af staan. Lees goede boeken, kijk goede films. Verbreed je kennis. We komen nooit volledig van die blik af, maar hem bijschaven? Dat moet kunnen.

Ik mag het zeker niet vragen…

Goed, er zat een cliffhanger aan de vorige blog en nu komen jullie ein-de-lijk te weten wat de cliffhanger is (‘Thank god, Laura.’). De rode waas verscheen een aantal weken geleden voor mijn ogen. Hij was zelfs bijna paars.

Ik keek een beetje rond op Facebook en zag tussen de selfies een bericht staan over jongetjes van een jaar of negen die dingen aan het vernielen waren op een station. Dat vond de schrijfster van dit bericht heel erg. Er stond een reactie onder van mevrouw A.:
Ik mag het zeker niet vragen…
Wat niet? vroeg de schrijfster.
Of het Nederlandse jongetjes waren… zei mevrouw A.

De rode flits kwam voor mijn ogen. Dit was wel een heel ander niveau van racisme dan zeuren over hoofddoekjes op straat. Ik had het al getypt voor ik er erg in had:

Dat mag je inderdaad niet vragen.

Mevrouw A. likete mijn opmerking en weer een flits. Want zij begreep niet dat ik het oneens was met haar. Dat vertelde ik haar ook, dat het niet mag, omdat het racisme is. Mevrouw A. vond het geen racisme, want dit soort dingen zag je toch overal om je heen? En hoe oud was ik eigenlijk? Ik vroeg wat dat ermee te maken heeft en zei dat ik niet meer zou reageren. Mevrouw A. vond dat ik maar beter om me heen moest kijken.

Het waren overigens Nederlandse jongens.

Ik stopte, want ik besefte dat ik haar niet kon overtuigen. Helaas.

Ik denk niet dat racisme volledig tegen te houden is en dat we allemaal racistische trekjes hebben. We hebben nu eenmaal ook slechte kanten. Bovendien hebben we hokjes nodig om mensen in te plaatsen, anders wordt het een chaos in ons hoofd. Het enige wat we ertegen kunnen doen, is ons bewust zijn van die kant en er niet naar te handelen.

Dus moet ik dan de rode waas negeren of niet? Ik ben er nog niet over uit.

Een onvolledig beeld

Sommige zaken in het leven zijn onvermijdelijk. We gaan dood. We hebben emoties, of we nou willen of niet. En dan iets waar ik niet tegen kan: we kunnen onszelf niet volledig zien.

‘Maar Laura toch,’ wil je misschien zeggen. ‘Niemand kent mij beter dan ik.’ Goed, jij weet wat je denkt (maar kun je je nog herinneren wat je vorige week allemaal dacht?) en je bent overal bij, want duh, je kunt je niet losmaken van jezelf. Maar weet jij hoe je eruit ziet als je schrikt? Ken jij de blik in je ogen als iemand een compliment maakt? Hoe je overkomt als je op straat loopt?

Soms zie je foto’s van jezelf en je kan het gewoon niet geloven: ben ik dat? Wat erg dat iedereen daar tegenaan moet kijken. Maar anderen zien niets geks aan de foto, want zij weten hoe je eruit ziet, in (bijna) alle facetten.

‘Je kunt zo goed met nieuwe mensen praten,’ zei ik een keer tegen een vriendin. Ze moest lachen: ‘Nee joh, ik ben er juist heel slecht in.’ Dat was niet bedoeld als een ‘Oh, ik ga zeggen dat ik zo dik ben in deze broek, zodat jij moet zeggen dat dat niet zo is’, ze dacht het daadwerkelijk. Ze kan zichzelf niet zien zoals ik haar zie.

Soms kan ik het niet hebben dat ik mezelf nooit zo zal zien als anderen. Dat ik niet weet hoe mijn neutrale blik is. Hoe ik presenteer. Natuurlijk, je kunt filmpjes maken, maar gedraag je je niet anders zodra je weet dat je gefilmd wordt? Bovendien kun je niet alles filmen.

Er is een stuk van mezelf waar ik niet bij kan. Dat ik niet kan begrijpen. Het enige wat ik kan doen is een hand uitreiken naar anderen en hopen dat ze hem aannemen, zodat ik een glimp kan zien.

‘Heb je een man?’

Laatst was ik aan het fietsen in Leiden. Naast mij kwam een oude man fietsen: ‘Mag ik je wat vragen?’
Ik ben de gemeenste niet (oké soms wel), dus zei ik: ‘Ja hoor.’
‘Heb je een man?’
Verbijsterd keek ik de man aan, riep op een hoog toontje ‘Ja, die heb ik.’ en fietste zo snel mogelijk weg. De oude man gooide me nog een ‘Sorry hoor!’ achterna, maar ik keek niet meer achterom.

Dit is slechts één van vele incidenten. Trek maar eens een kort rokje aan als vrouw. Nee, niet omdat je een hoer bent of omdat je verkracht wil worden, maar omdat het leuk staat. Of ga hardlopen in je korte broekje. Tel de opmerkingen maar. Nu heb ik nog geluk dat ik geen topmodel ben of borsten van hier tot Tokio heb, moet je dan eens kijken wat je allemaal oproept. En niet eens expres.

Mannen beseffen dit niet. Mannen zijn degene die kijken, vrouwen worden bekeken. Als je een blanke, westerse man bent (liefst nog jong ook), heb je het geweldig. Discrimineren is misschien iets wat je doet, maar wat je zelden overkomt (corrigeer me als ik het fout heb). Beter dan jou zijn kun je niet.

Er zijn ook van die mannen die denken dat het wel meevalt met hoe vrouwen worden behandeld. We zijn toch gelijk? Ze mogen toch stemmen en werken? Dan rol ik met mijn ogen naar die gekke man. Kijk in de reclames (de reclames van de Hunkemoller lijken zich meer op mannen dan op vrouwen te richten, terwijl die eersten het vaak niet kopen), kijk in je boeken, kijk om je heen. Haal die schellen van je ogen.

Het is een lastig gegeven. Want er moet verschil zijn. Er moet een hiërarchie zijn, anders raken we het overzicht kwijt. Ook biologisch gezien zit het ons niet mee: de man doet vijf minuten zijn werk en de vrouw is vervolgens negen maanden zwanger en moet baren. Huilen als man? Watje, wordt er dan geroepen.

De oplossing weet ik dus niet zo goed. Maar wat ik wel weet, is dat ik er soms gek van word.

Het Niets en de zin van het leven (heavy shit zouden sommigen zeggen)

Ik ben niet gelovig. Ik geloof niet in God, niet in Iets, maar in Niets. Het lastige van een atheïst zijn, is dat je zelf betekenis aan je leven moet geven. Hoe doe je dat als er niets is na de dood? Wat heeft het dan allemaal voor zin?

Voor mij heeft het leven zin, juist omdat het eindig is. Ik zou niet eeuwig willen leven, want dan kun je alles doen en zijn er geen grenzen. Omdat je door die eindigheid beperkt bent, wordt wát je kiest des te betekenisvoller.

Denk bijvoorbeeld aan de liefde, hoe speciaal is dat dan? Je hebt misschien tachtig jaar te leven (als je geluk hebt) en dan spendeer je een groot deel van die jaren met één persoon. Terwijl er zoveel keus is en zo weinig tijd. Dat maakt de liefde toch nóg bijzonderder?

Natuurlijk kan dat idee ook voor stress zorgen: wat als ik niet de goede keuze maak? Maar zelfs al gebeurt dat, dan is het nog steeds zinvol. Je weet in ieder geval wat je niet (weer) wilt.

Het blijft lastig. Veel zaken heb je ook niet zelf in de hand. Maar het idee dat ik na een jaartje of tachtig sterf en me daarbij niet druk te maken om het hiernamaals, maar gewoon verdwijn, voor altijd, stelt me gerust.

Hoe denk jij hierover? En ben je gelovig of niet?