De brugwup

Je ziet het al op de spandoeken boven de wegen: binnenkort beginnen de scholen weer! Lucky bastards zoals ik hebben nog een aantal weken vakantie, maar zo niet de middelbare scholieren. En zoals elk jaar zijn ze er nu ook weer: de brugwuppen.

Trillend op hun beentjes staan ze in de hal van hun nieuwe school, die zoveel groter lijkt dan de oude, vertrouwde basisschool. Hun aanblik lokt reacties uit als: ‘Waar gaat die tas met dat jongetje naar toe?’ en: ‘Ze worden elk jaar kleiner!’ In hun rugzak, volgestouwd met al hun boeken, bevindt zich een broodtrommeltje, met liefde klaargemaakt door hun moeder. Met pijn in mijn hart kijk ik naar ze. Ach gossie (ik zou zo graag in hun wangetjes willen knijpen), wat zijn ze nog onschuldig. Nog zo naïef over de harde wereld van de middelbare school.

Zo zijn we allemaal geweest. Ik weet nog wel dat ik heel erg mijn best deed om mijn moeder over te halen een Eastpak voor me te kopen (gelukt!) en geen Kipling (want dat is niet cool). Ik weet nog dat alle meisjes in de klas na één week mijn naam al kenden en ik die van hen niet. Dat ik bang was dat ik geen vrienden zou maken (is toch gelukt, check). En dan die leraren, het leken allemaal wel duivels die rechtstreeks uit de hel kwamen!

Maar het gaat over. Op een gegeven moment kom je erachter dat je toch echt wel het sociale vermogen hebt om vrienden te maken. En die leraren? Die blijken ook gewoon mensen te zijn (ja, echt waar!).

Dus als jullie één dezer dagen zo’n brugwup zien, doe dan een beetje lief tegen hem of haar. Geef ze een snoepje, aai ze over hun bolletje en vertel ze dat het allemaal goed komt.
En zeg er dan maar niet bij dat het eerste jaar het ergst is.

Beugelbekkie

Bron

Vroeger keek ik graag naar Beugelbekkie (kennen jullie dat?). Stiekem vond ik zo’n beugel wel cool. Hoe onwetend was ik? Nou, ik heb het geweten hoor, hoe het is om een beugel te hebben.

Bij mij ging het zoals iedereen: de tandarts verwijst je door naar de orthodontist en voor je het weet, ben je overgeleverd aan de duivel (enigszins overdreven, maar er zit een kern van waarheid in). De Duivel, in de volksmond de ortho genoemd, is dol op jouw gebit. Correctie: dol op het werk wat nodig is voor jouw gebit. Hij prikt, hij duwt en stopt allemaal metaal in je mond. Dit metaal zorgt er bovendien voor dat je geen cola en kleverige dingen zoals toffee’s meer mag (niet dat je dat daarvoor zo vaak dronk en at, maar nu het opeens niet meer mag, wil je het wel heel graag).

Nee wacht, ik loop te ver vooruit. Voordat je zo’n ding (het schijnt een beugel  te heten) in je mond gedouwd krijgt, moet je eerst happen. Helaas is dit niet zo leuk als koekhappen. Sterker nog: het is heel vervelend. In eerste instantie lijkt dat roze spul je nog wel leuk en gezellig. Totdat ze het met veel geweld in je mond duwen. Je krijgt bijna geen lucht (het is maar goed dat je niet verkouden bent) en bovendien moet dat vieze goedje nog een paar minuten daar blijven. Maar dan komt het ergste pas: het eruit halen. Ze trekken zo hard als ze kunnen (oh nee, ze trekken mijn tanden mee!) en dan is het uit je mond. Of nou ja. De helft zit nog in restjes aan je tanden, maar dat vergeten we even voor het gemak.

Ik ben een expert op dit gebied. Vanaf groep zeven tot de zesde (reken maar uit hoeveel jaar dat is) heb ik meerdere beugels gehad (ja, ook die vreselijke buitenboordbeugel!). Tel daar ook nog drie bezoekjes bij de kaakchirurg op en dan kun je wel begrijpen waarom ik zo van de ortho houd.

Maar gelukkig heeft dit allemaal een doel. En nu ik al anderhalf jaar beugelloos de wereld door ga, ben de orthodontist – ondanks al het gedoe en soms de pijn – toch dankbaar.

Het tragische liefdesverhaal van mijn broertje

Zoals jullie allemaal niet gemerkt hebben (lang leve wifi), was ik twee weken op vakantie naar Engeland met mijn familie. We hebben daar verschillende plaatsen bezocht, waaronder Brighton, Bath en jawel: Windsor. Misschien zegt het je niets, maar in dit plaatsje staat toch iets indrukwekkends: Windsor Castle, waar Queen Elizabeth haar weekenden doorbrengt. Dit kasteel vormt de achtergrond van mijn verhaal.

Natuurlijk gingen we het kasteel binnen (na onze portemonnees helemaal leeggemaakt te hebben voor de entree), waar we onder andere een heel groot poppenhuis zagen en de slaapkamer van the king (welke weet ik eigenlijk niet meer, in ieder geval niet Elvis).
Het gebeurde toen we bij een collectie schilderingen en foto’s waren. Mijn geliefde broertje van zestien jaar en ik gingen op het bankje zitten, zonder te weten wat er in de volgende uren zou gebeuren. Opeens kwam er een meisje (van een jaar of vijf/zes) langs ons lopen, aan de hand van haar moeder. Mijn broertje, charmeur die hij is, glimlachte naar haar. Vrijwel direct verscheen er een lach op haar gezicht. Terwijl haar moeder aandachtig alle schilderijen bekeek, bleef het meisje naar mijn broertje kijken. Verlegen glimlachte ze, wanneer haar blik beantwoord werd. Daarna keek ze snel naar de grond.
We gingen de volgende zaal in en ook daar was zij aanwezig. Aangemoedigd door het glimlachen van mijn broertje zwaaide ze deze keer zelfs naar hem, met een blos op haar wangen. Na een paar keer heen en weer geflirt te hebben, wendde ze zelfs het woord aan hem: ‘Hi!’ zei ze.
Haar moeder trok haar mee.
Mijn broertje probeerde nog een keer contact met haar te leggen, maar ditmaal werd ze weggetrokken door haar broer.
In het kerkje bij het kasteel zag hij haar voor het laatst. Ze wilde nog wat tegen hem zeggen, maar wat, dat zullen we nooit weten. Vol afschuw zag mijn broertje hoe zijn geliefde werd weggetrokken door haar vader.
Hij zou haar nooit meer zien.

En ik vind het verschrikkelijk. De week erna heeft hij liggen huilen op zijn bed. Hij at en dronk niet meer. Hij kon alleen maar denken aan het meisje.
De liefde van zijn leven. Het is net Romeo en Julia: het heeft nooit zo mogen zijn.

(Even voor de goede orde, dit is gedeeltelijk verzonnen. In werkelijkheid kwam de liefde alleen maar van haar kant. Mijn broertje is nog vrijgezel, als je een date met hem wil, dan kun je me mailen :P).

Een voetreis in Rome

In de vierde was het dan zo ver, na twee jaar Latijn en twee jaar Grieks (dat was mijn keuzevak): de Romereis.

Veertig leerlingen, waaronder ook 5vwo (waar je dan stiekem toch wel tegen op keek, omdat ze wel één jaar ouder waren dan jij) en drie leraren en acht dagen. Ik kan jullie vertellen over wat we allemaal gezien hebben, over enge obers of dronken leraren, maar dat ga ik niet doen. Dit stukje gaat over de voeten.

Jawel, de voeten, één van de belangrijkste onderdelen van je lichaam. Ik ben blij met ze, echt waar, want ze brengen me overal naar toe. In Rome brachten ze me naar het Colosseum en het Pantheon.
De eerste dag deed ik nog, optimistisch als ik ben, mijn All Stars aan. Het vervelende aan deze schoenen is alleen dat ze een platte zool hebben en dat merkte ik ook. Daarna heb ik ze niet meer aangetrokken, maar mochten mijn oude afgetrapte Nikes me begeleiden. En hoewel ze goed hun best deden, konden ze het toch niet vermijden: pijnlijke voeten.

In principe heb ik geen probleem met pijnlijke voeten. Voor een dagje dan. Maar acht dagen is wel erg lang. En mijn leraar Latijn hield nogal van doorstappen, dus tja, dan is het onvermijdelijk.
Na zo’n dag die bestond uit lopen, stil staan en luisteren naar de gids, lopen, heel snel oversteken voordat je wordt aangereden door Italianen en lopen, voelde het alsof ik de Vierdaagse van Nijmegen had gelopen. In één dag. Opgelucht ging ik dan mijn bed in, maar misschien raad je het al: zelfs bij het opstaan had ik nog pijn in mijn voeten!

Gelukkig heb ik er niets aan overgehouden. Mijn voeten brengen me nog steeds overal naar toe. Maar als ik ze het woord ‘Rome’ toefluister,  schrikken ze elke keer weer.

De kuren van een printer

Bron

Een printer hoort gewoon zijn werk te doen. Net zoals de buschauffeur dat behoort te doen. Nu is de buschauffeur hierbij nog redelijk betrouwbaar, maar hetzelfde kan helaas niet gezegd worden over de printer.

Een printer drinkt graag. Tenminste, daar ga ik van uit. Hoe kan de inkt anders zo snel op zijn? Dit is een algemeen bekend probleem onder printers en ik stel dan ook voor om onze printers gezamenlijk onder te brengen in rehab. Dit kan niet zo langer, mensen.
Het gebeurt vooral als je iets moet uitprinten wat plaatjes of foto’s bevat. Ze worden roze of geel, maar nooit de kleur die je wilde hebben. Je beroepen op je creatieve vrijheid kan hierbij helaas niet.

Ik weet niet of jullie er wel eens last van hebben, maar soms gebeurt er iets geks. Ik wil bijvoorbeeld mijn cv uitprinten. Dat is heel normaal. Dat willen wel meer mensen. Maar op de één of andere manier is mijn printer het daar dan niet mee eens en in plaats van mijn cv, print hij dit uit: !#@#$%$^%&*)**%%$©₡µ®
Ik weet niet wat voor geheime taal dit is, printer, maar ik geloof niet dat ik dit ga inleveren bij mijn toekomstige werkgever.

Lastige dingen, die printers. Helaas kunnen we (nog) niet zonder ze. Altijd gaat er wel wat mis.
Gelukkig hebben wij thuis twee printers.

De leukste dag van de maand

Het is aan het eind van de maand. Vaak krijg ik al een mailtje in mijn mailbox om me ervan op de hoogte te stellen. Maar dat is eigenlijk niet nodig, want ik weet het natuurlijk al. Mijn favoriete dag in de maand: als de studiefinanciering weer op mijn rekening wordt gestort.

Het is een heerlijk gevoel. Je krijgt geld en je hebt er geeneens iets voor gedaan (ja, je moet het later allemaal terugbetalen als je je studie niet haalt, maar daar gaan we het even niet over hebben). En het is niet eens dat ik het uitgeef, want meestal zet ik het op mijn spaarrekening. Maar toch.

Maar eigenlijk vind ik wel iets stom aan de stufi. Studenten die ouders hebben met een lager inkomen dan gemiddeld krijgen meer stufi. Ik gun het ze van harte, maar de gedachte erachter klopt niet helemaal. Want wie zegt dat je ouders je studie betalen, als je ouders wél bovengemiddeld verdienen? Het is niet alsof de wet het ze beveelt ofzo.

Maar goed, het maakt niet uit. Elke maand verwelkom ik die eurootjes van de overheid met veel plezier. Lang leve de stufi!

Diepzinnige gespreksonderwerpen bij het wachten op de bus

Sommige mensen hebben zo’n hoofd. Zo’n hoofd dat zegt (het staat nog net niet op het voorhoofd geschreven): ik ben spontaan, spreek me aan. Dat soort mensen hebben dan ook altijd en overal gesprekken. In de bus, op straat, in een winkel.
En dan heb je een ander soort mensen: ik ben chagrijnig, als je me aanspreekt, krijg je een klap voor je kop-mensen. Dan denk je wel tien keer na, voordat je vraagt waar het station is.

Ikzelf heb een jemagmeaansprekenmaaralleenalsikineengoedebuibenhoofd. Tenminste, dat denk ik, want ik heb niet altijd en overal gesprekken, maar wel soms. Nee, diepgaand zijn dat soort gesprekken meestal niet (en daarom vind ik het ook niet erg dat ik ze niet al te vaak heb).

Bijvoorbeeld, je staat op de bus te wachten. Opeens begint het keihard te regenen. Een oud vrouwtje (als je vriendelijk naar ze glimlacht, zien ze dat meestal als een uitnodiging voor een gesprek) begint tegen je te praten:
‘Goh, wat een regen he?’
Je glimlacht en knikt.
‘Raar weer hoor. Vanmiddag was het nog zo mooi weer. Ik heb zelfs in de tuin gezeten.’
Het is een valkuil en je tuimelt er zo in.
‘Ja, morgen geven ze nog meer regen op!’ voeg je toe aan het gesprek.
En voor je het weet, ben je een kwartier over het weer aan het praten.

Nu is het natuurlijk niet erg om over het weer te praten, maar erg origineel is het niet. Het lijkt me wel grappig om een keer een heftige discussie over politiek of de zin des levens te hebben met onbekende medereizigers.
Dat brengt me op iets anders, wat ook grappig is en iets wat mijn oude filosofieleraar altijd doet. Want eens in de zoveel tijd komen ze weer: de Jehova’s getuigen. Dat ze het zijn, moeten ze zelf weten, maar val mij er niet mee lastig. Maar goed, de volgende keer dat je open doet en er staat een Jehova’s getuige voor je deur, ga dan de discussie aan. Dan gaan ze vanzelf wel weg ;)

Onder welke categorie hoofden val jij? ;)

Het zonnebrandcrème-stresssyndroom

Tachtig jaar geleden (dus zeg maar ongeveer drie maanden) schreef ik een blogje over de complicaties van het ijs eten. Daarop reageerde ene Martijn (identiteit bekend bij de redactie (sorry, dat vind ik gewoon leuk klinken en het is ook echt zo haha)) of ik ook nog over het zonnebrandcrème-stresssyndroom zou vertellen. En aardig als ik ben, doe ik dat natuurlijk ook.

Want het is namelijk zomer. Jawel, dit komt misschien als een schok, zeker omdat het de laatste tijd wel erg vaak geregend heeft, maar het is echt waar. En bij de zomer hoort de zon. Nu hebben wij in Nederland het voorrecht dat de zon héél af en toe zo hard zijn best doet, dat hij boven de 20 en soms wel boven de 25 graden uitkomt. Dat is fijn, want daar word je bruin van. Maar niet altijd, soms word je er ook rood van. Oplossing: zonnebrandcrème.

Maar ook hieraan zitten complicaties aan verbonden, eigenlijk lijkt het wel een beetje op ijs eten. Je gaat bijvoorbeeld naar het strand, nieuwe bikini/zwembroek aan, vrienden mee, leuk, leuk, leuk. Je smeert alles in: je gezicht, je buik, je armen, je benen. Alleen… je kan niet bij je rug. Dat is ons namelijk fysiek onmogelijk gemaakt, behalve bij slangenmensen dan. En als iets naar is, dan is het wel je rug verbranden (ligt niet lekker he). Maar slim als je bent, weet je een oplossing: je vraagt gewoon aan één van je vrienden of die jou in wil smeren.
Flats. De halve fles zonnebrandcrème komt neer op jouw rug.
‘Doe je niet teveel?’ vraag je nog.
‘Nee hoor!’ klinkt het vrolijk.
Je hebt er namelijk een hekel aan als het wit van de zonnebrandcrème zich op een dusdanige dikke laag op jouw lichaam bevindt dat je eigen huidskleur niet meer te zien is.
Na vijf minuten is de vriendin(in) klaar. Gelukkig maar.
‘Dankjewel he!’ zeg je nog.
Tevreden ga je op je buik liggen op je badlaken. Hmm, lekker die zon. Oh wacht, je kan beter andersom gaan liggen, dan wordt je buik ook bruin.
Je draait je om.
In slow motion.
Je had al zo’n vermoeden, maar als je rug het badlaken raakt, is het al te laat.
Het plakt.
Met het badlaken nog aan je rug vastgeplakt (zoveel zonnebrandcrème zat er op je rug) ren je gillend van de stress naar je vriend(in).

Zo. Dat is hem dus. Het zonnebrandcrème-stresssyndroom. Helaas zijn er in Nederland hier geen therapieën voor, maar het wordt een steeds hardnekkiger probleem. Voor meer informatie, kijk op www.zbcss.nl

Drie veelvoorkomende gedachten bij een meisje

Als een jongen in het hoofd van een meisje kon kijken, zou hij zich kapot schrikken. Dit zijn namelijk het soort gedachten die rondspoken in het hoofd van een meisje:

1. Wat moet ik aan doen? Oh nee, ik heb helemaal geen kleding in mijn kast! Dit shirt draag ik al zo vaak. Deze broek maakt me dik. Dit jurkje is uit. Wat moet ik aan doen? Wacht, ik weet het al. Ik doe gewoon dat rokje aan met dit topje. Ja. Even aantrekken. Zo, ik ga maar naar beneden. Nee wacht, nog even in de spiegel kijken. Oh nee, het ziet er niet uit. Ik kan dit echt niet aantrekken. Wat moet ik aan doen? Jaaa, ik doe mijn nieuwe T-shirt aan! Nee wacht, dat is veel te koud.
*eenhalfuurlater*
Shit, ik ben te laat. Ik trek dit wel aan.

2. Zou hij me leuk vinden? Hij kijkt wel soms naar me. En hij heeft een keer mijn boek aan me gegeven toen ik het liet vallen. Ja, zeker weten. Hij vindt me leuk. Kan niet anders. Of… Hij kijkt ook best veel naar mijn beste vriendin. Zij is ook veel knapper. Alle jongens vinden haar leuk. Waarom vindt niemand mij eens een keer leuk? Zij krijgt ook alle jongens. Maar ik weet niet. Gisteren keek hij wel twee keer naar me. Misschien vindt hij me toch leuk… Nee, nee, dat kan niet. Waarom zou hij me leuk vinden? Of toch wel…

3. Oh nee. Ik begin echt een buikje te krijgen. En moet je mijn armen zien! Ik heb al zoveel pukkels en dan komt er nog één bij. Ik haat mijn haar, het zit echt stom. Ik zou willen dat ik er net zo uit zag als dat ene meisje. Zij heeft echt een mooi figuur. Moet je mijn lichaam dan zien. Net een propje. Ik zou willen dat ik lange wimpers had. Waarom ben ik niet vijf kilo lichter? Ik wil langer zijn.

Natuurlijk hebben we ook hele diepzinnige gedachten, maar ik denk dat elk meisje wel eens zo denkt. Misschien is het maar beter ook dat jongens het niet weten…

Mijn jeugd is voorbij

Bron

Heel erg origineel is het natuurlijk niet om over Harry Potter te schrijven. Waarschijnlijk gaan jullie het allemaal doen. Maar dat maakt niet uit. Harry Potter hoort bij ons, bij onze generatie. En dat mag best benadrukt worden.

Voor kerst kreeg ik Harry Potter en de Geheime Kamer. Nee, ik weet ook niet waarom ik eerst deel twee kreeg.
‘Ja, dat schijnt populair te zijn.’ zei mijn moeder.
‘Wat een stom boek.’ dacht ik.
Hoe het daarna is gegaan, weet ik niet meer, maar in ieder geval las ik een tijdje daarna deel één and I was hooked. Binnen no time had ik deel twee en drie gelezen. Gelukkig voor mij kwam toen net deel vier uit, zodat ik daar ook aan kon beginnen.
Voor mij zit er een scheiding tussen deel één t/m vier en vijf t/m zeven. Misschien omdat ik wel op deel vijf moest wachten. Maar ook omdat het vanaf toen pas echt serieus werd, duister.

Ik heb zelfs op een Harry Potter-forum gezeten. En toen de boeken verfilmd werden, had ik samen met Manon een crush op Daniel Radcliffe en Rupert Grint (nee, nu niet meer hoor ;)). De boeken had ik meerdere keren gelezen en natuurlijk had ik zoals het een echte zwijmelaar betaamt, gedroomd over hoe het zou zijn om les te krijgen op Zweinstein/Hogwarts.

Volgende week ga ik naar de laatste film. De aller-, aller-, allerlaatste film. In diezelfde week vier ik mijn twintigste verjaardag. En dan wordt het officieel: mijn jeugd is voorbij.