Confession: ik ben een zwijmelaar

Ik ben een zwijmelaar. Ja, ik kom er eerlijk voor uit. Ik ben een dromer, een echte. Je kan me gewoon zomaar in het wild tegenkomen.

Ik zwijmel in de bus, tijdens het afwassen, voordat ik in slaap val. Ik dagdroom zelfs tijdens college (laat het mijn docenten maar niet horen). Ik kan er niets aan doen, het is een verslaving. Ik heb al op internet gezocht naar een ontwenningskliniek voor zwijmelaars, maar die is er niet. En ook geen praatgroep. Dus geen gesprekken zoals dit voor mij:
‘Ik ben Laura en ik ben een zwijmelaar.’
Groep: ‘Hallo Laura!’
En helaas is er ook geen medicijn voor.

Natuurlijk is het ook leuk om een beetje te dromen, maar soms is het niet zo handig. Als je moet opletten bijvoorbeeld (tijdens college of bij welke halte je uit moet stappen). Of als je zwijmeldroom zó leuk is, dat je niet in slaap wil vallen. Eén van de symptomen is dan ook slaaptekort.

Nee,  zo makkelijk is het niet om een zwijmelaar te zijn, zeker niet zonder lotgenoten. Dus andere zwijmelaars: meld u hier. Dan richten we samen wel een praatgroepje op.

De winkelmedewerkster

Eindelijk: je gaat weer winkelen. Je hebt er helemaal zin in, het geld in je portemonnee brandt en je hebt je allergrootste tas bij je. Vol goede moed stap je een willekeurige kledingwinkel binnen.

Je bent nog geen seconde binnen of er staat al een goedlachse vrouw naast je.
‘Kan ik je helpen?’
Het liefst zou je nu met je ogen willen rollen.
‘Nee danku, ik kijk gewoon even rond.’
Terwijl je het ene shirtje na het andere shirtje bekijkt, voel je in je nek de hijgende adem van de winkelmedewerkster. Je haalt een jurkje uit het rek.
‘Leuk is die hè?’
Je glimlacht vriendelijk, maar van binnen begint het al de borrelen.
Uiteindelijk heb je een paar leuke kledingstukken uitgezocht en begeef je je naar de pashokjes (daar kan ik ook nog een heel stukje over zeuren, maar daar gaat het nu niet om). Natuurlijk is dit weer zo’n pashokje die zelf geen spiegel heeft, zodat je eruit moet komen en voor de gezamenlijke spiegel moet staan (waarom bestaan die, serieus). In de spiegel lijk je met die broek aan net een olifant.
‘Staat je leuk. Ja, die kleur staat je echt goed!’
De winkelmedewerkster staat alweer naast je. In haar hand heeft ze een shirtje.
‘Deze past er goed boven. Echt heel zomers!’
Je rent naar de dichtbijzijnste paspop, rukt één van de armen eraf en slaat de winkelmedewerkster ermee.
‘Laat me met rust!’
Tenminste. Dat wil je doen. In plaats daarvan glimlach je weer lief en zeg je dat dat topje toch niet helemaal jouw smaak is.

Kijk, als ik je hulp nodig heb, dan vraag ik het wel, oké? Maar ga niet ongewenst naar me kijken en commentaar geven, terwijl ik aan het passen ben, want daar word ik echt woest van!

Alvast bedankt voor uw aandacht.

Het had zo mooi kunnen zijn

Samen met het vriendje was ik uitgenodigd voor het bruiloftsfeest van een ex-collega van hem. Laten we haar maar Truus noemen. Gewoon, omdat het kan. Het feest was in Amsterdam en dat is natuurlijk heel wat voor twee provinciaaltjes die nooit hun dorp uit komen (dit is niet waar, maar ik moet het verhaal wel een beetje leuk maken natuurlijk). Dus: hoe kon dit niet anders dan helemaal fantastisch gaan worden?
Bovendien: ik had een geweldige jurk.

Wij vrouwen houden van bruiloften en de daarbij behorende feesten. Nee, niet vanwege de taart of de romantiek: we hebben een excuus om ons mooi aan te kleden.
Toevallig had ik een paar maanden geleden (dat was op de baard van Nico-dag, zet het in je agenda voor volgend jaar) een heel mooi jurkje gekocht. Het vriendje en ik liepen een winkel binnen in Rotterdam met allemaal retro-achtige kleding. Meteen werd mijn blik getrokken naar een jurkje en voor ik het wist, vroeg ik aan de winkeleigenaar of hij deze ook in mijn maat had.
‘Ja, het is echt een enig jurkje!’ zei hij, een man die duidelijk op mannen viel én scheel was.
Nu heb ik niets tegen schele mensen, maar ik weet nooit in welk oog ik moet kijken. In ieder geval, hij had het jurkje (‘Hij heeft in de Vogue gestaan, echt enig!’) in mijn maat en een paar minuten later stond ik mezelf te bewonderen in de spiegel.

Zo ook in de spiegel van een hotelkamer in Amsterdam. Mijn haren waren nog nooit zo schoon geweest, het jurkje was kreukvrij en ik had mijn hakken aan, kortom: I was ready to rumble.

Diezelfde dag had ik nog geluncht met studievriendinnen in Leiden. Het gesprek begon met een hysterisch verhaal van Josefien: ‘Ik was gisteren bij een kampvuur en ik stonk helemaal naar de rook!’ Na haar uitgelachen te hebben – het was geen kampvuur, want er waren geen liedjes, geen boomstam én geen marshmallows – gingen we over op andere zaken.
Ik vergat haar verhaal. Totdat ik bij de locatie (een boot aan de kade) van het bruiloftsfeest kwam. Boven de houtblokken zag ik het vuur branden.
Mijn geliefde jurkje en minder geliefde jas stinken nu.

Bedankt he, Truus. Voorlopig geen bruiloftsfeesten meer voor mij.

Het stinkende jurkje.

(Disclaimer: dit is natuurlijk allemaal overdreven geschreven, een jurkje dat stinkt naar de rook is geen ramp ;) En het was een leuk feestje!) 

Bril vs lenzen

Je bent negen jaar en zit achterin de klas (daar zitten alle coole mensen zoals jij natuurlijk). Maar dan merk je dat je het bord niet goed kan zien.

‘Juf, ik zie het niet!’
Je moet een plaats vooruit (shit, ben je nu nog wel cool?). Maar na een tijdje kan je ook daar de letters niet goed meer lezen. Nog een plaats vooruit. Dit gaat door, totdat je bijna helemaal vooraan (voor de losers!) zit.
‘Misschien heb je een bril nodig.’ denkt de juf.
Jij denkt: ‘No way, juf.’
Maar je ontkomt er niet aan. De juf heeft gelijk: je ogen zijn niet goed.

Een week later loop je onwennig rond met je bril en dan kom je ook achter de ongemakken van dat ding op je neus. Is het koud en loop je een winkel in? Je ziet geen hand voor ogen meer: beslagen. En je kan boenen wat je wil, maar de glazen blijven altijd vies. En je ontwikkelt een panische angst voor ballen (‘Nee, niet naar mij gooien, straks raak je mijn bril, ik kan niet vangen!’). Bovendien: je bent er afhankelijk van. Zonder bril ben je net zo hulpeloos als een klein baby’tje.

Nee, dan lenzen. Je kan volleyballen wat je wil, maar je hoeft niet bang te zijn voor de bal (wat je eigenlijk stiekem nog wel bent). Temperatuurverschillen? Kom maar op! No way dat jij er ooit nog één op je neus zet.

Dat dacht ik toen ik op mijn vijftiende lenzen kreeg. Nooit meer een bril voor mij. Maar nu kreeg ik een paar maanden geleden een nieuwe bril. Toch handig. Je hoeft hem alleen maar op te doen en niet te goochelen met van die kleine schijfjes die je in je ogen moet proppen. En opeens is het hip geworden om een bril te dragen, niemand die je meer brillemans noemt. Ik krijg zelfs complimenten over mijn bril!
En nu… Ik moet eerlijk bekennen: ik draag vaker mijn bril dan mijn lenzen. Ik geloof dat daar een woord voor is, mensen: luiheid (in mijn geval dan).

Ben jij slechtziend? Zo niet: lucky you! Zo ja: welke heeft jouw voorkeur, lenzen of bril?

I’m lovin it: nou nee

Neem een willekeurige snelweg in Nederland. Je hoeft nog geen kilometer te rijden of je ziet het al in je gezichtsveld opdoemen: de grote, gele M. Wat je ook probeert, je ontkomt er niet aan: de McDonald’s.

Ik kan me de laatste keer dat ik daar gegeten heb niet meer herinneren. Maar inmiddels ben ik er de afgelopen jaren helaas toch wel geweest (gedwongen, maar heb er niets gekocht). Want het is nu eenmaal zo: niet iedereen deelt dezelfde mening met mij. Ik kan de geur en het aanblik van de mensen die zich volproppen niet aanzien, maar er zijn mensen die er elke week heen gaan. Met plezier. Als iemand met mij zou daten in deze fastfoodketen, dan zou ik gillend wegrennen. Maar er zijn mensen die met ‘uiteten’ naar de McDonald’s gaan bedoelen.

Oh nee, ik ben geen gezondheidsfreak (please give me some chocolate!) en ik vind patat wel lekker. Maar dan bedoel ik echte patat, weet je wel. Van aardappels. Volgens mij is het eten van de McDonald’s zo enorm voorgefabriceerd dat je net zo goed plastic kunt eten.

Om het maar niet over de calorieën te hebben (toch wel). Wat denk je, even gezond doen en een salade nemen? Misschien kun je dan maar beter naar de supermarkt gaan en zelf een salade maken. Tenzij je er geen problemen mee hebt dat je dan de helft van de benodigde hoeveelheid dagelijkse calorieën naar binnen werkt.

Ik hoef niet naar de meest luxueuze restaurants. Maar in deze zaak vertoon  ik me liever niet. Dus wil je van een afspraak met mij afkomen? Zeg dan dat je naar de McDonald’s wil. Missie geslaagd.

(Niet aanvallend bedoeld, iedereen moet natuurlijk zelf weten wat en waar hij eet. Maar dit is mijn mening over de McDonald’s en andere fastfoodketen)

Jawel, het is weer vakantie

De herexamens zijn inmiddels nagekeken en ook de basisschoolkindertjes zijn al (of bijna) vrij. Jawel, mensen, het is vakantietijd.
In eerste instantie denk je dan natuurlijk aan een immense vrijheid (geen huiswerk, uitslapen!) of aan het lekkere weer, dat er echter nooit lijkt te zijn in Nederland (we vinden het altijd te warm of te koud). Maar nee, daar denk ik nu niet aan. Ik ga het hebben over vakantiebestemmingen.

Vroeger. Die goede oude tijd. Je beste vriendinnetje belt aan.
‘Kun je spelen?’
‘Nee.’ zeg je teleurgesteld, want je wilde je nieuwe springtouw uitproberen. ‘We gaan zo weg. Op vakantie.’
‘Waar ga je naar toe dan?’
‘Naar de Vuluwu ofzo.’
Je moeders stem klinkt vanuit de keuken: ‘De Veluwe!’
Je beste vriendinnetje wenst je vervolgens veel plezier en dat was dat.

Moet je tegenwoordig eens proberen: ‘Ik ga naar de Veluwe.’
Mensen trekken een vies gezicht of kijken verbaasd.
‘De Veluwe? Maar je bedoelt… gewoon in Nederland? Met een tentje?’
Je probeert nog enthousiast te vertellen over het mooie landschap en de leuke winkeltjes, maar je gesprekspartner kan zich er niets bij voorstellen. Je hoort het hem/haar bijna denken: dan kun je net zo goed niet op vakantie gaan.

Nee, tegenwoordig is het zelfs niet genoeg als je naar Frankrijk of Italië gaat. Hoe exotischer, hoe beter. Vertel jij aan je collega dat je naar Paaseiland vliegt, dan zegt hij dat hij naar Atlantis gaat. En als we dan weer thuis zijn (wanneer blijkt dat die exotische locatie toch minder leuk was dan gedacht), houden we het nog even in stand door de foto’s rond te laten gaan: ‘Kijk, dit ben ik op een hagelwit strand.’ ‘Kijk, dit ben ik met Obama, hij was onze buurman.’

Laten we er alsjeblieft mee stoppen. Wat maakt het nou uit of je naar Limburg of naar Verweggistan gaat? Wees blij dat je überhaupt op vakantie kunt gaan en geniet ervan!

Disclaimer: uiteraard is dit allemaal weer overdreven en met een knipoog geschreven. En Atlantis bestaat niet, evenmin als Verweggistan. Dus als je tickets daarvoor wil, moet je niet bij mij zijn.

Laura de reiziger: Vijf leuke dingen aan het openbaar vervoer, part two

We hebben nu tien nadelen van het openbaar vervoer, zie hiervoor part one en part two. En vijf leuke dingen. Maar daar moeten natuurlijk nog vijf extra bij! Zie hieronder voor het rijtje.

1. Spontane gesprekken.
Ik zat een keer in de metro achter twee vrouwen. De ene, een Nederlandse oudere vrouw, vroeg aan de andere, een jonge vrouw met een hoofddoekje, iets over de haltes. Dit zorgde voor een heel gesprek, onder andere over de opleiding van de jonge vrouw en dat soort dingen. Natuurlijk heb ik stiekem meegeluisterd en ik vond het erg leuk om zo’n spontaan gesprek te horen van twee mensen die op een aantal punten erg met elkaar verschillen (leeftijd en geloof).

2. Gratis kranten.
Wij zijn Nederlanders. En waar staan we om bekend? Onze gierigheid natuurlijk. Dus als we iets gratis kunnen krijgen, dan pakken we het ook. Dus grijpen we massaal naar de Metro en Spits, maakt niet uit hoe slecht de kwaliteit daarvan soms kan zijn.

3. Leuke bekenden tegen komen.
Ik geef het toe, het gebeurt niet vaak. Maar soms kom je ze tegen: de mensen die je kent die je wél wil zien. Zo wordt een saai busritje toch nog leuk.

4. Flirten.
Het openbaar vervoer is je beste vriend. Hij brengt je overal naar toe en zorgt bovendien voor veel flirtmateriaal. Neem bijvoorbeeld eens de trein met Delft als één van de tussenstations. Succes gegarandeerd (nee, het zijn niet alleen sulletjes die daar studeren).

5. Inspiratie voor blog.
Oh oh oh, als ik het openbaar vervoer toch niet had. Dan had ik minstens een kwart van de stukjes op mijn blog niet kunnen schrijven. Zou zonde zijn, toch?

Dit was het dan weer. Het openbaar vervoer is van alle kanten belicht en ik kan er maar één conclusie uit trekken: wat ben ik blij dat het OV bestaat.

Mijn vriendje Grote Fantasie

Ik heb een grote fantasie. Te groot eigenlijk. Nee, ik heb dit niet bij de winkel gekocht en mijn ouders hebben het me ook niet aangeleerd. Hiermee ben ik geboren en ik zal er mee moeten leven.
Eigenlijk word ik altijd wel vergezeld door mijn vriendje Grote Fantasie. In de trein, op straat en… in bed. Helaas ben ik niet gezegend met het talent om binnen vijf minuten in slaap te vallen. Grote Fantasie ligt namelijk naast me in bed en houdt me wakker.
‘Weet je nog die vrouw, die niet voor je op wilde staan in de metro?’ fluistert hij in mijn oor.
‘Daar had je wat van moeten zeggen. Waarom heb je niet gezegd dat je er niet langs kon als ze niet opstond, waarom keek je haar niet boos aan? Waarom zei je niet: ‘Dit vind ik niet netjes, mevrouw.’ Dat had je echt moeten zeggen.’
Ja ja, dat is waar, Grote Fantasie. Had ik moeten doen. Wat een stom wijf was het ook eigenlijk. Hoe durft ze niet voor me op te staan, waar slaat dat nou weer op? Zoveel moeite is het niet hoor. Train je je bilspieren waarschijnlijk ook nog mee en nou, dat had die vrouw echt wel nodig. Ja, dát had ik tegen haar moeten zeggen.
Grote Fantasie woelt door mijn haren en pakt mijn hand vast.
‘Morgen heb je dat feestje hè?’
Ik knik.
‘Dat feestje waar je niemand kent.’
Ik zucht, want ik weet al waar dit naar toe gaat.
‘Hoe ga je dat doen? Je durft toch niet op mensen af te stappen. Je zit vast de hele tijd alleen in een hoekje.’
Grote Fantasie verzint en verzint maar, totdat hij op het punt komt dat ze allemaal om me heen staan om me uit te lachen.
Ik ben het zat. Met al mijn kracht duw ik Grote Fantasie mijn bed uit.
‘Ga jij maar op de bank slapen vannacht.’
Ik draai me om en val in slaap. Morgen weer een dag.

Laura de reiziger: Vijf ergernissen aan het openbaar vervoer, part two

Zoals lang geleden beloofd, zijn hier nóg vijf nadelen aan het openbaar vervoer. Maar wees gerust, het is niet één en al negativiteit hier, want binnenkort komen er nog vijf extra leuke dingen van het openbaar vervoer eraan (hier zijn er alvast vijf). Maar nu dus eerst de nadelen.

1. Rennen, omdat je (te) laat bent.
Je kent het wel. De trein gaat vijf over. Het is nu vier over. Je rent de longen uit je lijf, terwijl mensen je lachend nakijken. Je tas bonkt irritant tegen je benen aan en je begint steeds meer te hijgen. Buiten adem kom je aan op het perron (of de bushalte). De trein vertrekt voor je neus. Net te laat. En juist nu je die belangrijke afspraak had. ‘Hmm.’ denk je, terwijl je nog na staat te hijgen. ‘Misschien moet ik toch maar vaker naar de sportschool gaan.

2. Etende mensen.
Ze kauwen op de meest onsmakelijke manier en die rare geluiden hadden er ook niet bij gehoeven. Meestal gaan ze recht tegenover je hun maaltijd verorberen, alsof ze kunnen ruiken dat jij een knorrende maag van de honger (nee Laura, trek, kindertjes in Afrika hebben honger) hebt.

3. Geurtjes.
Teveel parfum en dan ook nog net die vieze. Of ook erg: vieze mannen met een zweetlucht van hier tot aan de rest de trein. Die natuurlijk nét naast jou gaan zitten. En mensen, alsjeblieft, doe geen deo op als terwijl in de trein of bus zit. Dat kun je namelijk na tachtig uur nog steeds ruiken. En als ik hoofdpijn wil, dan vraag ik wel of je met een hamer op mijn voorhoofd slaat.

4. Keiharde muziek.
R&B. Hardcore. Metal. Niet mijn soort muziek. Wel van heel veel mensen. Hoe ik dat weet? Dat kan ik horen. Weet je, je hoeft de volume van je mp3speler echt niet op zijn hoogst te zetten hoor, als hij een tikkeltje zachter staat, kun je de muziek ook wel horen. En hoe gek je ook bent op die rapper, dat hoef je niet aan mij te laten weten. Ik bepaal zelf wel wat ik luister.

5. Zwervers.
‘Ik ben dakloos en heb een paar euro nodig om vannacht te kunnen slapen.’
Yeah right, denk ik soms. Vervolgens gaan ze de hele coupé langs en voel je je enorm rot, terwijl je het raam uit staart. Ik heb overigens nog niet één keer meegemaakt dat iemand geld gaf.
(maar omdat ik me altijd zo schuldig voel, heb ik besloten om voortaan geen geld te geven, maar wel eten of drinken als ik dat bij me heb. Dan weet je in ieder geval zeker dat je geld niet uitgegeven wordt aan drugs of iets dergelijks.)

Nou, lieve kijkbuiskindertjes, dat waren weer de vijf nadelen. In de volgende aflevering dus vijf voordelen.

Veel reisplezier!

Flirten: een taal die ik niet machtig ben

Bron

Flirten is een taal die ik niet machtig ben. Op de één of andere manier heb ik toch het vriendje weten te veroveren met mijn gebrek aan flirttechniek, maar dat laat ik even erbuiten.

Het komt wel eens voor. Bijvoorbeeld in de trein. Tegenover je zit een jongen, jawel, zo’n raar wezen waar de helft van de wereld uit schijnt te bestaan. Je observeert alle mensen, dus ook deze jongen. Opeens merk je dat hij naar je kijkt. Je slaat je ogen neer. Je richt je blik weer op hem. Hij kijkt nog steeds. Je werpt een blik uit het raam, maar vanuit je ooghoeken kijk je naar hem. Jawel, hij kijkt nog steeds naar je. Je wordt een beetje zenuwachtig en begint aan je shirt te friemelen. Wat zou er aan de hand zijn? Heb je tandpasta op je gezicht? Je bekijkt je gezicht in het scherm van je mobieltje, maar nee hoor, geen tandpasta en je haar zit ook niet raar. Waarom kijkt hij dan de hele tijd? Zou het…? Nee, nee, zo’n jongen vindt mij niet leuk. Misschien is hij gewoon stoned.
Het volgende station. De jongen glimlacht naar je, terwijl hij op staat. Verlegen glimlach je terug en terwijl je hem nakijkt, denk je: shit! Blijkbaar flirtte hij tóch met me.