Laura’s liefdesletteren: voor de gek

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

‘Ober,’ begon zij steeds. ‘Mijn man vindt de biefstuk te rauw, maar naar mijn mening is hij prima. Wat denkt u?’
Eerst de twijfelende ogen van de één naar de ander, dan het gestamel.
‘Eh ja, mevrouw, uh dat kan, m-maar ja ehm…’
Koortsachtige gedachtes en dan de opluchting op het gezicht: ‘Zal ik anders een nieuwe biefstuk voor u halen, meneer?’
Beiden probeerden hun lach in te houden.
‘Schat,’ zei hij op scherpe toon. ‘Moet je me nou echt voor lul zetten in dit restaurant? Alwéér?’
‘Lieverd,’ antwoordde zij geroutineerd. ‘Ik kan jouw gezeik gewoon niet langer aanhoren.’
Stoelen die schuiven, omgedraaide hoofden, uitpuilende ogen.
En als ze thuis kwamen, proesten van het lachen en de avond op een hele fijne manier voortzetten.

‘Kijk nou wat je doet!’
De caissière keek geschrokken naar hem, terwijl hij haar hoofdschuddend aankeek en fluisterde: ‘Ze is ongesteld.’
‘Dat hoorde ik wel!’
Haar gezicht zo dicht mogelijk bij de zijne: ‘Ik weet wel wat er vanavond níet gaat gebeuren, mannetje.’
Hopeloos stond de caissière met het pakje sigaretten in haar handen. Wel of niet onderbreken? Kuchen of het laten gaan?
‘Krijg ik mijn peuken nog of hoe zit dat?’
Met een rood hoofd gaf de caissière ze aan haar, kreeg nog een vernietigende blik op de koop toe.
Buiten sloeg hij een arm om haar heen, gaf haar een kus in de nek.
‘Wat doen we die arme mensen toch aan.’
Ze glimlachte.
‘Plagen mag.’

‘Het gaat ook altijd hetzelfde met jou!’
Zij stond aan de ene kant van hun kleine appartement, hij aan de andere. Een bord in haar handen. Hij probeerde weg te duiken, maar een deel van de scherven kwam over hem heen, verspreidde druppels bloed op zijn overhemd.
‘Ik ben jou zo zat.’
Dreigend kwam ze op hem af. Hij schoof op, stootte met zijn voet tegen de hoek van de bank, struikelde over haar kleding op de grond, reikte naar de deurknop en was verdwenen.
‘Waar ga je naar toe?’
Deze keer geen publiek om voor de gek te houden. Deze keer geen gelach achteraf.