Laura Molenaar is vertaler IJslands: “Vertalen is een puzzel”

Ik ben bevriend met vele Laura’s, wat best lastig is qua naamgeving. Zo heb ik wel eens over Andere Laura geschreven. Wat ik daarin nog niet verteld heb, is dat Laura behoorlijk cool is. Ze is freelance journalist, studeerde filosofie (waar ik haar van ken) en… heeft een boek uit het IJslands vertaald. Ja. Een boek. Vertaald. Uit het IJslands. Hoe dan????
(Dat heeft ze overigens niet in haar eentje gedaan, maar samen met Kim Liebrand, dus bij dezen ook credits naar Kim natuurlijk)

Dat vraagt om een interview, vind ik. Ik kan iedereen aanraden om hun vrienden te interviewen, want je ontdekt weer geheel nieuwe dingen over elkaar. Bij dezen mijn interview met Laura over het vertalen. 

Muziek maken met een rabarber

Want hoe kom je er eigenlijk op om IJslands te gaan vertalen? Het begon allemaal met de documentaire ‘Heima’ over de band Sigur Rós die Laura zag op haar zestiende. De combinatie van het IJslandse landschap, de taal en het feit dat het in IJsland normaal is om muziek te maken op een rabarber fascineerde haar.
Bovendien is de IJslandse literatuur bijzonder rijk. Laura: “De literaire cultuur is daar heel levend, een op de tien mensen heeft wel een boek of poëzie gepubliceerd. Je hebt natuurlijk ook de bekende Jólabókaflóð, waar vlak voor kerst in één keer heel veel boeken worden gepubliceerd. Dat zijn geliefde kerstcadeaus voor de donkere dagen. Er zijn ook allerlei boekenprogramma’s en podcasts over boeken. Auteurs staan daar dus in veel hoger aanzien dan in Nederland.”

Laura begon IJslands te leren met een cd-rom, maar het echte leren startte pas toen ze via de Reddit-pagina Learnicelandic een echte IJslander leerde kennen (er zijn maar 340.000 IJslanders, dus dat is zeldzaam). Die was bezig met een website waarop mensen IJslands konden leren en Laura werd het proefkonijn.

De schoonheid van de eigen taal

Laura verwachtte dat IJslands zoals Duits of Zweeds zou zijn, maar er zitten veel grammaticale constructies in die we niet meer kennen. “Zoals de aanvoegende wijs. Die vind je in het Nederlands nog terug in zinnen als ‘Het zij zo’ of ‘Ware het niet dat’ en in het IJslands gebruiken ze dat nog om de haverklap.”
Bovendien is de taal heel conservatief met leenwoorden. Een computer is een tölva, wat een samenvoeging is van tala (getal) en völva (zieneres), wat samen het woord getallenheks maakt. Een telefoon wordt sími genoemd, het oude woord voor draad. “Ze vieren de schoonheid van hun eigen taal door te kiezen voor hun eigen equivalent, dat vind ik mooi.”

Van IJslandse rap naar IJslandse pannenkoeken

Als eerste vertaalde Laura IJslandse rapnummers, want die zijn makkelijker te vertalen door de Engelse leenwoorden tussendoor. Daarna ging ze verder met sprookjes vanwege hun vaste vorm. “Op een gegeven moment wil je je leesvaardigheid vergroten en het helpt dan heel erg om te gaan vertalen. Je kunt niet een woord overslaan, je moet weten wat elk woord betekent. En dat helpt met vocabulaire opbouwen.”

Wat Laura ook hielp, was de ontwikkelingsbeurs die ze kreeg van het Expertisecentrum Literair Vertalen. Deze beurs betaalt de uren van de begeleiding, in dit geval de begeleiding van Kim Liebrand: “Zij heeft mij heel erg geholpen door mij keuzes te laten maken en dan samen te kijken wat het resultaat is van een vertaalkeuze. Je hebt bijvoorbeeld typische IJslandse pannenkoeken. Je kunt daar gewoon pannenkoeken van maken, je kunt uitleggen wat voor pannenkoeken het zijn of het IJslandse woord laten staan. Of voetnoten gebruiken, maar dat is in proza niet gebruikelijk. Daar moet je goed over nadenken.”

Markering

Uit deze samenwerking kwam ook de vertaling van het boek Markering door Fríða Ísberg voort. Laura heeft het boek namelijk samen met Kim vertaald. “Het is een uniek boek. Je zou kunnen zeggen, dat het sciencefiction is, maar er komen geen ruimteschepen in voor en er wordt eigenlijk niks uitgelegd van hoe die wereld eruitziet. Dat vind ik krachtig: dat je niet veel uit hoeft te leggen om het te begrijpen.”
Maar ook het filosofische en psychologische element vindt ze interessant. “Het gaat over empathie. Door het boek heen wordt bevraagd wat empathie is en in hoeverre het iets zegt over iemand als diegene empathisch is en of het meten van empathie ons verder helpt in de samenleving. Ik vind het heel leuk dat Friða niet een bepaalde positie verdedigt. Je krijgt nergens het idee dat zij ons iets probeert te leren. Je voelt mee met alle personages, dat vind ik sterk.”

In het boek komen personages vanuit verschillende lagen van de samenleving die daardoor ook anders praten. Hoe vertaal je dat op een goede manier? “Je moet goed lezen, de taal analyseren en je oren openhouden op straat en op het internet. Zo gebruikt het personage Tristan veel straattaal en over hem wordt meerdere keren gezegd dat hij slecht IJslands spreekt, dus het mag allemaal wat platter.”
Het is onmogelijk om het verhaal precies intact te houden, omdat de IJslandse taal anders werkt dan de Nederlandse. Hoe ga je daar als vertaler mee om? “Je bent vooral op zoek naar een waarachtige versie van wat er in het IJslands staat. Het hoeft niet precies hetzelfde te zijn, want dat kan niet. Als de stijl, de sfeer en de boodschap maar hetzelfde is.”

 

Vertalen is een puzzel

Vertalen is ontzettend moeilijk en dat onderschatten we volgens Laura: “Want we doen het de hele dag. We lezen Engelse dingen op het internet, kijken Franse of Duitse series. Het voelt misschien alsof we die talen goed beheersen, omdat we ze kunnen verstaan, maar om te vertalen moet je álles begrijpen. Niet alleen elk woord, elke zin, maar ook wat die betekent in de context, de connotatie, woordgrapjes, wat voor soort mensen deze woorden gebruiken, of het een oubollig woord is of juist nieuwerwets. Dat allemaal weergeven in het Nederlands is een puzzel.”
Laura onderschatte hoe goed je Nederlands moet zijn om te kunnen vertalen: “De perfecte vertaler moet alle registers open kunnen trekken: een onzekere jongen, een boze mevrouw en ga zo maar door. Al die stemmen moet je kunnen nabootsen. En de taal is ook in ontwikkeling. Met leren vertalen ben je nooit klaar.”

Voorbeeld

De vertaler van Harry Potter, Wiebe Buddingh’, vindt Laura heel inspirerend: “Die heeft ervoor gekozen ook namen zoals McGonaghall, Dumbledore en Hogwarts een Nederlands equivalent te geven. Voor kinderen zijn die moeilijk uit te spreken, en Anderling of Zweinstein roepen meteen een bepaalde associatie op. Dat vind ik heel creatief.”
Zelf staat Svava Jakobsdóttir nog hoog op haar te vertalen lijstje. “Zij is een feministische romanschrijver uit de jaren zestig die heel surrealistische, absurdistische verhalen schrijft met een feministische ondertoon. Denk aan een verhaal over een vrouw die tijdens het trouwen letterlijk haar hand weggeeft…”

Ik zou zeggen: ga het boek Markering lezen! Ondanks dat ik natuurlijk een beetje bevooroordeeld ben, omdat Laura het vertaald heeft, kan ik zeggen dat ik het oprecht een goed boek vond. Het zet je aan het nadenken, maar leest makkelijk en dat komt uiteraard onder andere… door de goede vertaling.

Van denker tot denker: Martine Prange

Foto Martine Prange

“Je moet ook een vrouw interviewen,” zei Jan Sleutels tijdens mijn interview met hem. Hij raadde mij Martine Prange aan, universitair docent en post-doc  aan het Instituut voor wijsbegeerte van de Universiteit Leiden. En zo geschiedde.

Nietzscheaanse migraineaanvallen

In Groningen schreef Prange haar eerste proefschrift over de vrolijke wetenschap van Nietzsche. Daarin heeft Nietzsche het over  het integreren van het zuiden in het noorden. Hoe kwam Martine Prange aan dit onderwerp? “Iedereen die studeert, heeft wel eens het gevoel dat hij te vaak met zijn neus in de boeken zit en dat het echte leven aan hem of haar voorbij gaat. Ik had pas toen ik in Turkije woonde, omdat ik daar ging voetballen, het gevoel dat ik enorm in het leven stond.  Daar zag ik dat Nietzsche in staat was zo’n levensfilosofie te ontwerpen. Ik was benieuwd naar het belang van het zuiden voor zijn vitalistische filosofie en dat is de vraag geweest van mijn eindscriptie, dat later gepubliceerd is als Lof der Mediterranée.”
Zelf probeert Martine ook hier die levenswijze toe te passen, maar dat lukt niet altijd: “Ik was afgelopen jaar op onderzoeksbezoek in Zuid-Italië en kreeg Nietzscheaanse migraineaanvallen hier, omdat ik het vreselijk moeilijk vond om me weer aan te passen aan de noordelijke levensstijl. Maar voor zover mijn leven dat toe laat, probeer ik binnen mijn dagelijkse bezigheden het zuidelijke genieten te integreren.”

Vrouwenvoetbal en filosofie

Nu combineert Martine Prange in haar onderzoek haar twee grote passies: voetbal en filosofie. Zelf voetbalde ze professioneel in België en Turkije. Bij dit onderzoek, dat Prange sinds september leidt, zijn momenteel 9 onderzoekers en 6 maatschappelijke partners betrokken. Prange: “Wij onderzoeken de maatschappelijke impact van meiden- en vrouwenvoetbal in Nederland en zijn onder meer benieuwd naar de weerstanden die meiden ondervinden in de sport en door hun keuze voor deze sport. Helpen of hinderen die weerstanden hen in hun talentontwikkeling en bij het verwerven van een maatschappelijke rol? En hoe combineren zij sport, religie en cultuur bij de ontwikkeling van een bepaalde levensstijl ? Om deze antwoorden te formuleren, gebruiken we het denken van Kant en Nietzsche over weerstand en conflict. Ik ben vanuit mijn Kant-Nietzsche onderzoek al geïnteresseerd naar het belang van weerstand en conflict voor een vitale samenleving.  Juist in sport zijn zie je het belang van competitie, conflict en weerstand als het ware onder een vergrootglas.”

Nut van filosofen

Hoewel veel mensen niet weten wat je met filosofie kunt doen, blijkt het (uiteraard) toch nuttig te zijn. Volgens Prange zit dat hem in de kritische reflectie: “Ik merk dat de filosoof dieper en abstracter weet te reflecteren op concepten dan veel sociale wetenschappers. Dat komt, omdat wij andere vragen stellen. Ik vind het erg belangrijk om te kijken welke methoden worden gehanteerd bij wetenschappelijke onderzoeken. Er wordt namelijk ongelooflijk veel geld aan gespendeerd. Bijvoorbeeld het idee dat ‘wij ons brein zouden zijn’ wordt redelijk onkritisch overgenomen. Het is dan de taak van de filosofen om daar vraagtekens bij te zetten.”
Een andere vaardigheid van filosofen is hermeneutiek, teksten lezen. Helaas is die vaardigheid aan het verdwijnen. Prange: “Studenten krijgen geen tijd meer om überhaupt een boek te lezen, laat staan om te leren hoe ze zo’n boek goed en kritisch moeten lezen. Daarmee is ook de basis voor het kritische denken bedreigd. “
Prange: “Begrippen als “vrijheid” en “racisme” worden te pas en te onpas gebruikt in Nederland, zonder dat iemand daar een heldere definitie van geeft. Als je in het maatschappelijk debat onnauwkeurig omgaat met begrippen, dan ga je ook onnauwkeurig om met ideeën en krijg je dus nooit een fatsoenlijke discussie en dus ook geen goed beleid. De één weet al niet wat hij zelf zegt, laat staan dat hij begrijpt wat de ander zegt. Dat ontbreekt volkomen in het maatschappelijk debat dat in Nederland plaatsvindt en dat komt volgens mij, omdat filosofen niet voldoende worden betrokken in dat debat.”

Het fijne van deze interviews vind ik dat ik steeds meer redenen ontdek waarom filosofie belangrijk is. Ook Martine Prange heeft daaraan bijgedragen. Hoe kunnen we een goed debat volgen als de fundamenten al niet goed zijn? Gelukkig hebben we de filosofie.

Fictief interview met warme chocolademelk

Sinterklaas is voorbij. De schappen liggen nu vol met kerstkransjes in plaats van chocoladekruidnootjes. Ik ben gebroken. Ik ben helemaal kapot. Heeft het leven nog wel zin? Ik betwijfel het.

Terwijl ik gisteren in een hoekje van mijn kamer zat te huilen, kwam er een doosje van Nestlé aangelopen. Het was warme chocolademelk (die nog niet echt warm was, want hij zat nog in zakjes, maar goed). Hij legde een arm om mijn schouder.
‘Hé Laura, wat is er, meisje?’
Het duurde even, voordat ik in staat was om antwoord te geven.
‘D-de chocoladekruidnootjes waren op bij de Kruidvat en n-nu heeft alles geen zin meer en-‘
Ik begon hard te snikken. WCM haalde een zakdoekje tevoorschijn.
‘Ja lieverd, dat is erg vervelend. Ik weet hoeveel je van hen houdt. En zij van jou. Maar weet je, het is december. In maart zijn ze alweer terug.’
Ik stond op en keek WCM boos aan.
‘AL? WAT NOU AL? Weet je niet hoe lang het duurt, voordat het maart is? En ik heb niet eens een voorraadje aangelegd…’
Ik stortte weer in elkaar, het werd zwart voor mijn ogen. Toen ik weer bij kwam, stond WCM daar nog steeds. Hij keek me stralend aan.
‘Ik weet al hoe ik jou weer blij moet maken.’
De hoop gloeide op in mijn borst.
‘Ja? Vertel.’
Hij liet een stilte vallen, voor het dramatische effect.
‘Wat jij nodig hebt, lieve Laura, is…’
Er klonk trommelgeroffel op de achtergrond.
‘MIJ!’
Ik moest lachen. WCM? Haha nee joh, niets kon de plaats van chocoladekruidnootjes innemen. Maar toen bedacht ik me waar WCM voor stond: warme CHOCOLADEmelk.
‘Je bent geniaal!’ antwoordde ik. ‘Kom, ik ga je meteen maken.’
Ik haalde een zakje uit hem, kookte water en stopte de inhoud van het zakje daarin. Met een brede glimlach op mijn gezicht begon ik te roeren met een lepeltje. Hmmm, die aroma.

En toen kwam het besef, als een klap in mijn gezicht: ik had geen slagroom in huis. Met een boog kwam WCM in de goot terecht en ik rende mijn kamer in, naar het hoekje toe. Het huilen is nog steeds niet opgehouden…

Fictief interview met de winter


De enige reden dat ik lach op deze foto is omdat ik net warme chocolademelk op had. Voor de rest kijk ik altijd verdrietig dan wel angstig in de winter. 
De foto is gemaakt door Caithlin die al veel te lang niet geblogd heeft (ja, dat is een hint).

Ik weet dat het dit weekend nog wel redelijk warm was voor deze tijd van het jaar. Maar wat jullie niet weten, is dat de winter om het hoekje staat te lachen. ‘Haha.’ denkt het weer. ‘Ik ga lekker iedereen in de war brengen door het dit weekend warm te laten zijn en dan komt BOEM plotseling de ijzingwekkende kou van de winter.’
Dit kan ik natuurlijk niet laten gebeuren.

Elke winter denk ik weer: hoe ga ik dit in godsnaam overleven? Ik moet bekennen dat het tot nu toe altijd gelukt is, maar dat biedt geen garantie voor de komende maanden. Al meerdere keren ben ik ’s nachts bijna vastgevroren aan mijn fiets en het heeft nog niet eens gevroren, dus dat vind ik wel een prestatie. Tijd voor een gesprekje.
‘Hé winter!’ riep ik, na eindeloos zoeken, want hij had zich goed verstopt.
Hij deed net alsof hij me niet zag, maar ik bleef maar roepen en rende uiteindelijk achter hem aan. Hij hield het rennen niet zo lang vol en terwijl hij uit stond te hijgen, kwamen er witte wolkjes uit zijn mond.
‘Nouuu Laura, wat toevallig!’ zei hij. ‘Wat doe jij nou hier?’
Ik zuchtte.
‘Doe maar niet alsof je me net niet zag. Het maakt niet uit hoe goed je je verstopt, iedereen weet dat je binnenkort tevoorschijn komt hoor.’
De winter keek teleurgesteld.
‘Zelfs de NS?’
Ik lachte.
‘Nee oké, iedereen behalve de NS. Die doen net alsof ze je niet zien. Maar goed, ik wilde het ergens met je over hebben.’
De winter keek als een kind dat wist dat het stout was geweest.
‘Nou?’
‘Zou je dit jaar alsjeblieft niet willen verschijnen? Ik ben je eigenlijk wel een beetje zat. Leven met jou is moeilijk, weet je. De treinen rijden niet, fietsen is gevaarlijk, ik kan me niet bewegen door bevroren ledematen. Die sneeuw is wel mooi, totdat het allemaal zo’n smerige, bruine boel wordt. En oké, er is kerst enzo, maar voor de rest is er dan ook echt niets leuks aan jou.’
De winter knikte begrijpelijk.
‘Nee natuurlijk, heb je helemaal gelijk in. Weet je wat, ik heb er ook geen zin in dit jaar. Ik denk dat ik gewoon op vakantie ga, naar Brazilië ofzo. Dan heb jij ook even een paar maanden rust.’
Ik haalde opgelucht adem en klopte de winter op zijn schouder.
‘Ah dat vind ik echt heel lief van je, dankje!’
We namen afscheid en blij huppelde ik weg. Ik keek nog even over mijn schouder en even dacht ik de winter achter een bosje te zien, alsof hij me achtervolgd had. Ik schudde mijn hoofd en lachte. Nee, vast verkeerd gezien. We hadden immers een deal. Toch?

Fictief interview met chocoladekruidnootjes


Foto: Ariska.

‘Oh en ik heb nog wat voor je.’ zei mijn moeder, vlak voordat ze weer naar mijn ouderlijk huis zou rijden.
Ik hield mijn hart vast, want ik had al een voorgevoel en jawel, het klopte: chocoladekruidnootjes.
Shit, dacht ik.
‘Dankje!’ zei ik.
Ze ging weg en toen begon het.

Ze lagen op mijn bureau.
‘Maak het zakje open!’ riepen ze naar me.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee joh, ik heb geen trek en het is zonde om jullie nu al op te eten en ik heb vandaag helemaal niet gesnoept, dus dat moet ik volhouden en…’
Wist je dat chocoladekruidnootjes ook puppy-oogjes op kunnen zetten? Nou, ik weet dat nu in ieder geval wel.
‘He jongens,’ zei ik geïrriteerd. ‘Laat me met rust! Ik heb jullie broertjes en zusjes vorige week ook al opgegeten en-‘
‘Maar we zijn zo lekker!’ riepen ze. ‘Een combinatie van kruidnootjes én chocolade, het is ongekend!’
Sterk blijven, Laura, sterk blijven. Ik facebookte een beetje, zette muziek aan, schreef een blogje, maar steeds weer hoorde ik die stemmetjes piepen.
‘Eet ons, Laura, eet ons!’
Nee, dit ging hem niet worden. Misschien moest ik juist wel het gesprek aangaan met hen.
‘Waarom willen jullie dat eigenlijk zo graag?’
Ze glimlachten.
‘Dat is ons doel in het leven, om door jou opgegeten te worden. Je bent zo lief, Laura en zo goed voor deze wereld. Wij zijn gemaakt voor jou. Jij en wij zijn voorbestemd.’
Mijn wangen begonnen te blozen. Wat lief zeg, dat had nog nooit een pepernoot of een ijsje tegen me gezegd. Voorbestemd. Zou dit dan ware liefde zijn?
‘Menen jullie dat nou?’
Ze knikten allemaal tegelijk.
‘Jij en wij zijn ntb, Laura. Forevah. Zonder jou kunnen we niet.’
De gedachte dat het juist andersom was, kwam even in me op, maar ik duwde hem weg en staarde dromerig voor me uit. Een toekomst vol chocoladekruidnootjes. Dat leek me wel wat.
‘Eet ons, Laura!’ riepen ze weer met hun lieve stemmetjes.
Ik scheurde het zakje open en stopte één voor één de chocoladekruidnootjes in mijn mond. Hmmm, wat is liefde toch heerlijk. Nog een chocoladekruidnootje. Nog één. Wacht, waar was ik in godsnaam mee bezig? Dit was geen echte, ware, heuse, sprookjesliefde. Deze liefde maakte me misselijk. En dik. En verdrietig.
Ik keek het ene overgebleven chocoladekruidnootje boos aan. Hij begon te huilen.
‘Alsjeblieft, Laura, eet me op, alsjeblieft. Ik wil niet alleen blijven.’
Ik zette mijn meest dramatische stem op.
‘Het is over tussen jou en mij.’
Hij sprong weg en ik heb hem niet meer kunnen vinden, maar ik denk dat hij zelfmoord heeft gepleegd…

Wie schrijft die blijft (8): dichteres Anne Büdgen


Na Laura beroept zich komt er eindelijk een nieuwe interviewserie op mijn blog: 
wie schrijft die blijft. In deze serie interview ik mensen die voor hun beroep schrijven, op wat voor manier ook. Denk aan een brievenghostwriter of een dichteres zoals Anne. Ik ben erg benieuwd wat jullie ervan vinden, ik vind het in ieder geval erg leuk om te doen!

En toen was er ineens een gedicht

Op een dag zat de destijds achtjarige Anne Büdgen in haar kamer toen ze plotseling voelde dat er iets op papier moest komen. Ze zocht naar pen en papier en schreef op wat er van binnen gebeurde. En toen was er ineens een gedicht.
‘Daarna probeerde ik elke dag minstens een uur te oefenen. Ik ben ook dagboeken bij gaan houden om gedachten te noteren. En zo ben ik mezelf eigenlijk tot mijn achttiende blijven ontwikkelen door heel veel te schrijven en verschillende vormen uit te proberen. Ik ging veel naar de bibliotheek om werk van verschillende dichters te lezen en te bekijken hoe ze dat deden. Ook heb ik Teleac-cursussen gedaan voor gedichten schrijven. Ik wist op de één of andere manier heel zeker dat dat het was voor mij. Dat het de basis was van alles. En dat is eigenlijk nog steeds zo.’

Van uitprobeersels tot een eigen dichtbundel

Toen Anne een jaar of tweeëntwintig was, begonnen er gedichten te komen die ze goed genoeg vond. Daarvoor waren het voornamelijk uitprobeersels. Voor haar opleiding als theatermaker kreeg ze op een gegeven moment de opdracht om te praten met iemand uit het vak. Je mocht zelf weten wat voor beroep dat was, bijvoorbeeld iemand uit een theatergroep of een schrijver. Anne besloot de uitgeverij die haar erg aansprak, de Arbeiderspers, te bellen.
‘Ik sprak af met de redacteur poëzie. Ik had me heel goed voorbereid. Ik had alles goed doorgelezen, wie ze uitgaven en waarom en wat voor poëzie dat was. Af en toe begon de redacteur een gedicht en dan maakte ik hem af. We hadden een ontzettend leuk gesprek over poëzie en aan het einde ervan vroeg ik aan hem of ik wat werk van mezelf mocht laten lezen. Hij was erg enthousiast en gedurende twee jaar heb ik gedichten opgestuurd, waar hij commentaar op gaf. Dat werd uiteindelijk een bundel, die uitkwam toen ik zeventwintig was.’

Drukke stad of in the middle of nowhere

Dichten is voor Anne een traag proces. Omdat het voor haar beter werkt als ze dat op haar eigen manier doet zonder door anderen gestuurd te worden, neemt ze op dat gebied geen opdrachten aan.
‘Poëzie vraagt van mij dat ik me af en toe heel erg terugtrek en dat doe ik door op reis te gaan. Ik neem dan veel boeken mee en doordrenkt van al die woorden begin ik met dichten.’
Wat wel opvallend is, is dat Anne daarvoor óf naar een hele grote stad moet óf juist naar een plek ergens in the middle of nowhere. Dat kan allebei veel indruk op haar maken. Terwijl als ze naar een middelgroot plaatsje gaat, er niets gebeurt van binnen.
‘Als je bijvoorbeeld in een heel stil dorpje in Frankrijk bent, dan kan die stilte echt geluid geven. Dat is overdonderend en kan alles in je overnemen. Dat vind ik heel bijzonder. Net zo bijzonder wanneer ik me in een stad bevind waarin je voortdurend geluiden hoort en beelden ziet opdoemen. Als je helemaal in stilte bent, lijkt het alsof je een beetje gek wordt. En op de rand van ‘Ik kan hier helemaal niets meer, ik moet nu indrukken hebben of mensen zien’ vind ik een heel spannend moment om te schrijven. Dan spreek je stukken in jezelf aan waarmee je normaal gesproken niet zo snel in contact komt.’

Kauwgomkauwende pubers

Naast zelf poëzie schrijven geeft Anne ook workshops gedichten schrijven. Daarbij krijgt ze vaak te maken met vooroordelen dat poëzie saai, stoffig en ouderwets is en dat het moet rijmen.
‘Die vooroordelen uit de weg ruimen, dat is stap één. En dan kun je pas beginnen met nieuwe ogen naar poëzie te kijken.’
Dat doet ze niet door meteen een speech te houden over dat poëzie niet hoeft te rijmen en dat het niet stoffig is. In plaats daarvan neemt ze een aantal verrassende gedichten mee of laat ze de mensen een paar oefeningen doen, waarbij ze per ongeluk zelf een gedicht schrijven.
‘En dan denken ze: hé, dat is eigenlijk best gaaf wat ik nu heb gemaakt. Doenderwijs en proevenderwijs ontdekken veel mensen dat. Ook kauwgomkauwende pubers met van die petten tot over hun neus getrokken die half in slaap vallen als je binnen komt. Die mogen dan eindelijk zeggen wat er allemaal aan de hand is van binnen of wat ze vanochtend op straat hebben gezien. En dan vinden mensen het eigenlijk heel leuk om een keer te proberen. ‘

Poëzie als muziek

Als tip geeft Anne om heel veel te lezen.
‘Zie poëzie als muziek. Je hebt ook veel opnamen van dichters, luister daarnaar. En lees het hardop aan jezelf voor of aan anderen. Voel niet alleen wat de taal met je doet, maar ook wat de klanken, het ritme en de opbouw met je doen. Probeer de taal tot je te nemen met al je zintuigen, niet alleen met je hoofd. En oefenen, elke dag schrijven, schrijven, schrijven. Zonder zelfcensuur, je moet alles op papier kunnen zetten. Pas als je daar weer iets van wil construeren, moet je natuurlijk kritisch zijn. Maar durf hele lappen lelijke tekst te schrijven om vervolgens daarna tot iets echts te komen.’

Dit is waarschijnlijk het laatste interview in de serie. Ik heb het erg druk met mijn studie en andere activiteiten en deze interviews nemen veel tijd in beslag. Mocht ik er onverhoopt toch tijd voor hebben, dan ga ik er wel mee door, maar ik weet niet of en wanneer dat zal zijn. Ik hoop natuurlijk wel dat ik er ooit verder mee kan gaan. Ik vond het in ieder geval heeeeeeeeel leuk om te doen :D

Weetjes over ‘wie schrijft, die blijft’


Een deel van mijn aantekeningen (interview met Ad Grooten). Nee, daar kun je geen kaas van maken. Ook geen chocola trouwens.

Inmiddels staan er zeven interviews in de serie ‘wie schrijft, die blijft’ op mijn blog over mensen wiens beroep op de één of andere manier met schrijven te maken heeft. Er komt er sowieso nog één aan en daarna weet ik het nog niet. Dat ligt namelijk aan hoe mijn indeling er na de zomer uitziet. Ik heb college en moet daarnaast ook werken (als iemand nog een leuk bijbaantje in Oegstgeest/Leiden weet, let me know!), dus ik weet niet of ik tijd overhoud voor het interviewen. Ik hoop het natuurlijk wel en als het wel past, ga ik er ook zeker mee door! Ik vind het namelijk één van de leukste dingen om te doen voor mijn blog en ik leer er veel van.

Goed, dan nu de weetjes!

– Dit zijn de blogjes waar ik de meeste tijd aan besteed. Echt mensen, het is bijna niet normaal. Allereerst moet ik mensen die ik wil interviewen mailen. Als ze bereid zijn geïnterviewd te worden, moet er gemaild worden over de afspraak: wanneer en waar? Daarna bedenk ik de vragen (ik heb wel veel vragen die ik iedereen stel, maar het is natuurlijk wel aangepast aan het beroep). Vervolgens ga ik naar de afspraak. Op de één of andere manier is het nooit dichtbij. Het meest dichtbij was in Den Haag en dat is anderhalf uur reizen. Het meest ver weg was in een dorpje boven Hoorn en volgens mij heb ik verdrongen hoelang reizen dat was. De meeste interviews vonden echter plaats in Amsterdam en ook dat is niet dichtbij. Maar dat heb ik ervoor over!
Oké, dan vindt het echte interview plaats. Meestal duurt dit een uurtje. Daarna weer terug naar huis en dan begint het: het uitwerken. Eerst typ ik het interview letterlijk, dus woord voor woord, uit, omdat ik mezelf nog niet genoeg vertrouw om een goed interview uit te schrijven als ik dat niet doe. Daarna maak ik er het echte interview van zoals je die op mijn blog ziet.

– Ik neem het interview op met een voicerecorder én ik schrijf mee in een schrift. Dit, omdat ik bang ben dat het mis gaat. En terecht, want het is één keer mis gegaan (het laatste interview op mijn blog). Ik weet niet precies hoe het kwam, maar er was helemaal niets opgenomen en daarom moest ik het van mijn aantekeningen hebben. Uiteindelijk wel gelukt, godzijdank.

– Er is niks mis met interviews via e-mail en telefoon, maar ik wil het graag face to face en ik doe het dus ook alleen maar face to face. Ik ben hiermee begonnen, omdat ik ervan wil leren en ervaring op wil doen. Dat gaat het beste face to face. Bovendien is dat ook het beste voor het interview. Je vormt zo een beter beeld van de geïnterviewd en dat neem je ook mee in je stuk. Oh en wat is er nou leuker dan nieuwe mensen ontmoeten? :)

– Deze serie heeft voor leuke dingen gezorgd. Zo heb ik nieuwe mensen leren kennen, veel geleerd over schrijven, ben ik naar nieuwe plaatsen gegaan (zo zit de studio van Ad Grooten in een voormalig mortuarium!) en is er een column over mij geschreven.

Wat ik vermoedde, klopt ook daadwerkelijk: ik vind interviewen heel leuk om te doen (dan mag ik eindelijk eens onbeschaamd nieuwsgierig zijn) en ik zal er ook zeker niet mee stoppen!

Fictief interview met mijn kamer

Na de zomer verhuis ik naar een nieuwe kamer in Oegstgeest. Nu ik hier nog woon, leek het me een goed idee om een keer het gesprek aan te gaan met mijn oude kamer.

Slechte ideeën heb ik toch.

Ik deed de deur van kamer open en zei: ‘Goeeeeeeeeedemorgen!’
‘Hoi.’ klonk het dof.
Ik haalde mijn wenkbrauwen op.
‘Alles goed?’
Mijn kamer keek me niet aan toen hij antwoordde.
‘Ach ja, wat is goed? Met jou gaat het blijkbaar wel goed.’
‘Ja, dat klopt. Vind je dat erg dan?’
Mijn kamer ging met zijn rug naar mij toe zitten.
‘Ja…’ klonk het zacht.
Ik ging naast hem zitten en sloeg mijn arm om hem heen. Gelukkig sloeg hij die niet weg, zoals ik eigenlijk verwacht had.
‘Wat is er dan, lieverd?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Ik vind het niet leuk dat je me in de steek laat.’
Verontwaardigd stond ik op.
‘Wat? Waar heb je het over? Dat ik naar Oegstgeest ga?’
Mijn kamer knikte.
‘Ja. Je hebt een nieuwe kamer gevonden. Je hebt het er de hele tijd over hoeveel groter en leuker hij is dan ik. En hem ga je veel meer zien. Ik voel me achtergesteld.’
Ach, arm kamertje van mij. Ik had er geen idee van dat hij zo verdrietig was.
‘Oh liefje, maar jij blijft toch altijd mijn eerste kamer? Ik woon al mijn hele leven in je, je denkt toch niet dat onze liefde niets meer voor me betekent, alleen maar omdat ik naar een ander ga? En bovendien kom ik terug in het weekend, dan heb ik alle tijd voor je.’
Ik bood hem een glaasje roosvicee aan.
‘Het komt wel goed, schatje.’

Maar toen ik daarna even naar beneden ging, hoorde ik hem toch nog zacht snikken.

Wie schrijft die blijft (7): scenarioschrijver Alexandra Penrhyn Lowe

Na Laura beroept zich komt er eindelijk een nieuwe interviewserie op mijn blog: wie schrijft die blijft. In deze serie interview ik mensen die voor hun beroep schrijven, op wat voor manier ook. Denk aan een brievenghostwriter of een scenarioschrijver zoals Alexandra. Ik ben erg benieuwd wat jullie ervan vinden, ik vind het in ieder geval erg leuk om te doen!

Van journalist naar scenarioschrijver  

Na een carrière als journalist voor andere de LINDA. en de Esta volgde Alexandra Penrhyn Lowe een cursus scenario schrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Vlak daarna raakte ze aan de praat met een producer van Nickelodeon. Hoewel ze geen ervaring had, werd ze toch aangenomen als dialoogschrijver voor de populaire kinderserie ‘Het Huis Anubis’.

De opbouw van een soapserie

Een soapserie, ook wel daily genoemd, wordt niet door één persoon gemaakt, maar met een team. Eerst komt de hoofdschrijver (of hoofdschrijvers) die de lange lijnen bedenkt, dus wat er per week gaat gebeuren. Daaronder zit de storyliner, die schrijft het treatment. Dat houdt in: wat er in een aflevering gebeurt op scène niveau, maar dan zonder de dialogen. Die worden namelijk daarna geschreven door de dialoogschrijver.

De computer als een gekooide tijger

Op de fiets bedenkt Alexandra de lange lijnen van een scenario, want dat komt meestal als ze niet aan het werk is. Maar wanneer ze daadwerkelijk begint met het schrijven, ontvouwt het zich als een film in haar hoofd die ze alleen maar hoeft te volgen. Hoewel dat goed gaat, heeft ze toch last van angsten:
‘Toen ik het eerste scenario voor ‘Het Huis Anubis’ had geschreven, moest ik huilen, want ik durfde niet te beginnen. Daardoor komt mijn uitstelgedrag. De computer wordt dan als het ware een bom die af kan gaan, een gekooide tijger. Maar deadlines helpen, want je moet wel. ‘
Maar daarna komt het verschrikkelijke wachten. Elke keer weer.

De neiging teveel te zeggen

Volgens Alexandra is er in Nederland een mooie toneeltraditie, maar minder ervaring wat betreft film. Er is vaak de neiging om alles direct te zeggen, terwijl subtekst juist belangrijk is in een scène.
‘Zo haal ik er bijvoorbeeld alle namen eruit, want dat is niet realistisch. Je noemt niet de hele tijd iemand bij de naam wanneer je met hem of haar praat.’
Als voorbeeld geeft Alexandra een scène die ze heeft geschreven voor de KRO-serie VRijland. Het speelde zich af tussen een jongen van 18 en een jongetje van 10, dat heel verdrietig was vanwege de dood van zijn moeder.
‘De suggesties die bij deze scène stonden waren veel te pathetisch. Kinderen kunnen meestal niet zo goed acteren. Dus na hard nadenken kwam ik erop om het jongetje te laten zwijgen, terwijl de jongen praatte. Dat werkte goed, het ontroerde me zelfs.’
Dat is dus een manier om de neiging om teveel te zeggen te doorbreken.

I’m a writer too!

In Nederland krijgt Alexandra de volgende vragen vaak als ze vertelt wat ze doet: ‘Als eerste: heb je wel eens wat gepubliceerd? En als tweede: kun je daarvan leven?’
In Amerika is dat echter anders, positiever. ‘Of ze zeggen dat ze het ‘awesome’ vinden of: ‘I’m a writer too!’
Daarnaast zijn er soms ook vooroordelen. Veel mensen denken dat je niets doet en bellen je dan, omdat ze met je willen lunchen of iets dergelijks.
‘Maar ik ben gewoon aan het werk, dus dat gaat niet. Daar denken veel mensen niet aan.’

Fictief interview met mijn trenchcoat

Misschien herinner je je het avontuur met mijn trenchcoat nog wel. Ik was die vervelende regenjas zo zat dat ik koste wat kost een nieuwe jas wilde. Ik had al besloten om de volgende dag naar de stad te gaan, toen ik een klop op mijn deur hoorde.
‘Kom binnen!’ riep ik.
Mijn trenchcoat stak zijn hoofd om de hoek en durfde me bijna niet aan te kijken. Ik schudde mijn hoofd van woede. Wat moest die flapdrol?
‘Laura… Ik wil met je praten.’
Ik legde mijn armen over elkaar en keek de andere kant op, terwijl ik zei: ‘Wat moet je?’
De trenchcoat deed de deur een stukje verder open en ging op mijn bed zitten.
‘Jij interviewt toch dingen?’
Nu keek ik hem wel aan.
‘Ja, dus?’
De trenchcoat frummelde aan zijn riem.
‘Ik zou graag willen dat jij mij interviewt.’
Ik zuchtte. Wat een moeilijk mens zeg.
‘Ja hallo, daar heb ik echt geen tijd voor hoor. Ik heb zoveel spullen die ik nog moet interviewen en daarnaast ook echte mensen, dus dat gaat niet.’
Vanuit mijn bed klonk een gesnik. Ik keek en zag dat de tranen over de wangen van mijn trenchcoat rolden. Wat een aansteller.
‘J-ja maar,’ snikte hij. ‘Ik heb gewoon het idee dat sinds jouw blog over mij je lezers een heel verkeerd beeld hebben van mij. Eerst vonden ze me nog lief en nu kijken ze me niet eens aan, net als jij… Ik wil zo graag mijn kant van het verhaal laten horen.’
Ik keek in de betraande, blauwe ogen van mijn trenchcoat. Wat een lieverd was het toch. Dit is nu al de tweede zomer met hem en stiekem heb ik hem de afgelopen dagen wel gemist.
Dus streek ik met mijn hand over mijn hart, want zo ben ik ook wel.
‘Vertel maar. Ze luisteren.’
Mijn trenchcoat ademde even diep in en begon toen met zijn verhaal.
‘Ik had een rotdag. We moesten vroeg opstaan, omdat jij zo nodig met iemand moest afspreken. Ik bedoel, we waren al een paar keer met de bus gegaan die week en ik ben die route zó zat. En dan die mensen erin. Keihard muziek afspelen, praten over onzinnige dingen. Ik had het gewoon gehad. Nou ja, we zaten dus in die bus en toen kwam er een boemboemjongere binnen. Ik weet niet meer wat ze draaide, Rihanna ofzo, maar ik hield er echt niet van. Haar muziek stond echt op het hoogste volume, heel de bus hoorde het. Mijn trommelvliezen kregen er gewoon last van. Dus verstopte ik me tussen de zijkant van de bus en de stoel, zodat ik het minder goed kon horen. Maar ik heb de laatste tijd teveel snoep gegeten, dus kon ik er niet uit… Gelukkig heb je me uiteindelijk weten te redden, maar lieve Laura, het spijt me zo!’
Hij klemde zich aan me vast en riep: ‘Vergeef het me alsjeblieft!’
Ik gaf hem een kus op de wang.
‘Natuurlijk vergeef ik het je, gekkie. Kom op!’
Ik trok de trenchcoat aan en ging weg. Op naar de bushalte.