Posts tagged ‘fictie’

april 23rd, 2017

Laura’s liefdesletteren: stap voor stap

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Al tien jaar lang nam ze de bus naar het gemeentegebouw waar ze werkte. Het was slechts vijf minuten lopen naar de halte, maar vaak voelde het als vijftig. De terugweg was altijd erger, want ze kon niet wachten om thuis te zijn. Schoenen uit, bovenste knoop van haar nette broek los, restje spaghetti in de magnetron. Vaak keek ze ’s avonds series van vroeger, geen puf om achter vriendinnen aan te bellen of ze een keer tijd voor haar wilden vrijmaken.
In de winter was het donker als ze naar huis liep en keek ze stiekem naar binnen. Gezinnen etend rond de tafel, een ouder stel wachtend op het niets in hun leunstoelen. Vaak voelde ze de steek van jaloezie, die ze probeerde te negeren. Ze kon alles doen wat ze wilde. Ze deed het alleen niet.
Het viel haar op als de heg van het huis op de hoek gesnoeid was. Of als de schommels scheef hingen. Ze vroeg zich af waarom de klinkers nog niet uitgehold waren van haar schoenen die daar tien jaar lang, dag in dag uit, overheen liepen. Had ze zo weinig effect op de wereld dat ze zelfs dit niet voor elkaar kon krijgen? Alleen ontkenning hielp haar vooruit.

december 6th, 2016

Liefdesletteren: kleine jongen

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Zijn te grote rugzak puilde uit met boeken. In de gang stonden verloren schoenen zonder eigenaar. Basisschoolschoenen. Opeens was er gel. Platgedrukte krullen. Meisjes die langer waren dan hij en wiens lichaam hij stiekem bekeek. Weggefrummelde strips. Kinderachtig, mam. Maar bij het slapengaan nog steeds een knuffel en een kus. Voorlopig. Maak je vooral geen illlusies.
Met zijn drieën breeduit fietsen op de weg. Zijn zadel net te hoog, zodat hij altijd op zijn tenen moest fietsen. Hoe was school – gewoon – nog iets geleerd – nee –  en dan gezwijg. Huiswerk zonder hulp. Boemboemmuziek. Slokjes wijn met toestemming en proberen zijn walging niet te tonen. Selfies zonder te glimlachen. Talloze boterhammen met hagelslag, maar wel die met snoepjes erin.

Kleine jongen en toch al veel te groot.

november 4th, 2016

Laura’s liefdesletteren: de vergetelheid

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Opa weet niet meer wie we zijn, maar hij doet alsof. Zijn ogen zitten vol met stof, zoals de meubels in zijn ongebruikte huis. Zijn zinnen maakt hij zelden af. Hij lacht erbij, zonder vreugde.
‘Ik word gek,’ zegt hij.
Hij wijst ons op het plantje op tafel. De auto’s buiten. Vergeten zoons komen weer naar boven drijven in zijn afgebroken zinnen.
‘Ik word gek,’ zegt hij.
De rolstoel is te groot voor zijn lichaam. Vroeger sjouwde hij dozen en draaide hij ons in het rond. We voelen zijn botten zuchten als we zijn hand vastpakken.
‘Ik word gek,’ zegt hij.
De wielen van de rolstoel piepen als een vorm van protest. Door de gang lopen schimmen. Ergens staat de radio zachtjes te zingen. We kussen opa’s ongeschoren wangen, links, rechts, links. Met elke stap richting de deur wordt hij kleiner.
‘Ik ben zo blij dat jullie er zijn,’ zegt hij, maar we horen het niet meer.

maart 27th, 2014

Laura’s liefdesletteren: hand in hand

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

We fietsten altijd hand in hand, hoe klam zijn hand ook was. Mensen maakten er wel eens grapjes over, ‘Klef stel.’, maar voor ons was het de gewoonste zaak van de wereld. Zoiets dééd je gewoon. Als ik alleen fietste, zwabberde mijn linkerarm heen en weer, want het had niets te doen. Ik haatte alleen fietsen.

De kunst van het hand in hand fietsen was hetzelfde tempo aanhouden. Ritmisch bewogen we onze benen, één, twee, drie, in de maat. Op deze manier konden we zelfs andere, slomere, fietsers inhalen. Als we stil moesten staan bij een stoplicht, steunden we op elkaar. Eén keer viel ik bijna, omdat zijn ogen zo mooi blauw waren die dag.

Ook dit punt van de stad, het gevaarlijkste kruispunt waar al jaren mensen over klaagden, fietsen we zo over. Vandaag was het anders. Vandaag was in slowmotion.

Ik remde, hij niet. Het ritme was verstoord en ik voelde zijn hand uit de mijne glippen. Het asfalt kwam hard aan, maar flauwvallen deed ik niet. Het was angstaanjagend stil voor dit tijdstip op zo’n druk kruispunt. Zijn arm lag in een rare hoek. Ik pakte zijn hand weer vast, maar die voelde raar. Alsmaar kouder, terwijl hij net nog gloeiend heet was.
‘Tobias,’ fluisterde ik. ‘Je weet toch dat ik van je houd?’
Tobias wist het niet meer. Zijn blauwe ogen staarden naar de fiets, die aan stukken op de weg lag.

Voortaan fietste ik alleen.

november 3rd, 2013

Laura’s liefdesletteren: vier maanden, twee weken, twaalf dagen en een paar uur

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Ze waren nu al vier maanden, twee weken, twaalf dagen en een paar uur samen. Niemand in de klas had ooit zo lang verkering gehad.
‘Jullie gaan volgend jaar zeker trouwen en kinderen krijgen!’ plaagden ze, maar dat kon Tom niets schelen. Ze waren gewoon jaloers.
Hij wist eigenlijk niet wanneer hij het voelde. Al langer dan die vier maanden, twee weken, twaalf dagen en een paar uur. Misschien door een film, want in films zeggen ze die dingen altijd zo makkelijk. Of gewoon in bed, toen hij aan Saskia dacht en gloeiende wangen kreeg. Niet dat hij alleen in bed aan haar dacht, nee, eigenlijk de hele dag door. Zijn laatste rapport was ook slechter geweest, ‘Niet zoveel aan het vrouwtje denken!’ had zijn vader gezegd, maar hoe kon hij zich nou concentreren tijdens de les als er zo’n mooi meisje naast hem zat? Soms schreef ze hem briefjes met veel hartjes erop. Hij had ze allemaal bewaard.
Hij dacht na over het goede moment. Ze waren niet zoveel samen, één middag per week als hij geluk had, want ze moest naar paardrijden en pianoles en natuurlijk haar vriendinnen. Ze giechelde veel met die vriendinnen, soms keken ze allemaal naar hem. Hij keek alleen naar haar.
Als ze dan een middag samen waren, stormde Saskia’s moeder – want het moest altijd bij Saskia thuis zijn – regelmatig binnen.
‘Oh, vergeten je kleding terug te hangen!’ riep ze dan.
Dat vergat ze wel erg vaak.
Het duurde twee maanden, voordat hij een kus op haar mond durfde te geven. Laatst wilde hij het met tong proberen, dat had hij op tv gezien, maar dat leek Saskia heel vies. Dat maakte niets uit. Ze hadden nog hun hele leven samen voor zich. Maar nu moest hij het wel echt zeggen, want de woorden drukten op zijn lippen zoals haar kussen. Dus tijdens die middag, ze waren vier maanden, twee weken, twaalf dagen en een paar uur samen, zei hij het.
Saskia was haar haren aan het borstelen, waar lichtjes van goud in zaten. Het was zacht als je het aanraakte, maar dat mocht meestal niet, want dan gingen haar haren door de war. Tom schraapte zijn keel.
‘Saskia?’
‘Ja?’
Ze keek niet naar hem om en zag dus niet dat zijn wangen gloeiden en oh, wat trilden zijn handen toch! Hij haalde even diep adem.
‘Ik hou van jou.’
Nu draaide ze haar gezicht naar hem om, glimlachte en antwoordde: ‘Dankje.’
Opeens was Tom er niet meer zo zeker van dat ze hun hele leven bij elkaar zouden blijven.

september 11th, 2013

Laura’s liefdesletteren: de brief

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Een sok in het midden van de kamer. Een chipszak verfrommeld in de hoek van de bank. En dan die volle vuilniszak. Ze had het bijgehouden: al drie hele dagen stond die daar. Ze kon de geur in de keuken niet meer verdragen. Nu was het genoeg.
‘Gerard.’
Niks.
‘Gerard!’
Zijn hoofd verscheen om het hoekje. Een frons boven zijn wenkbrauwen.
‘Wat?’
‘Je hebt de vuilniszak nog steeds niet naar buiten gebracht.’
Hij krabde wat aan zijn haar, het haar dat ze vroeger zo mooi vond, maar dat nu kale plekken begon te vertonen.
‘Ik doe het straks wel.’
Die woede. Het borrelde eerst langzaam op en kwam dan als een vuurpijl omhoog.
‘Nee, Gerard, nee. Dit is al de zoveelste keer. Ik moet ook alles zelf doen!’
De vuilniszak knalde overal tegenaan op de weg naar buiten. Terwijl ze hem in de container deed, iets agressiever dan gebruikelijk, scheurde hij en vielen er wat bierblikjes uit. Woedend gooide ze die er weer in.
Ze stampte de trap op, plantte de hakken van haar schoenen zo hard mogelijk in de vloer toen ze langs zijn computerkamer liep. Eenmaal aangekomen in de slaapkamer, ze zag zijn kleding van de vorige dag op de vloer liggen, blies ze langzaam in en uit.
De brief.
Ze deed de deur van de kledingkast open en ging op haar knieën zitten. Eerst de schoenendoos van laarzen die ze al jaren had. Daarin een tasje en dan uiteindelijk, in vele lagen bubbeltjespapier, de brief.
Met jou is het leven mooier. Ik hou van je. Liefs, Peter.
De woorden gebrand in haar hoofd. Soms meende ze een vlaag van zijn parfum te ruiken. Nog twee dagen en dan was het weer weekend. Dan was ze weer bij hem.
Bubbeltjespapier na bubbeltjespapier. Eerst legde ze die nog rustig op een stapeltje naast haar, maar het stapeltje werd steeds hoger en toen keek ze weer in het tasje.
Het was leeg.
Het duurde enkele seconden voordat het besef kwam.

juli 11th, 2013

Laura’s liefdesletteren: alles moet fris

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

In het glas zit nog een restje cola. Mijn vest heeft de zoetige geur die hij met zich meedraagt. Op mijn nachtkastje staat de foto uit Parijs. Ik leg het lijstje op de kop. Ik pak het knuffelbeertje, de bioscoopkaartjes, zelfs het gouden armband en stop het in een vuilniszak. Alles moet fris. Ergens op de bank trilt mijn telefoon. Zou hij toch-
Het is mijn moeder. Of ik morgen mee eet. Ik antwoord niet.
Ik moet mijn muur groen verven. Of  een fotoboek maken met tekeningen en tekstjes. Maar foto’s waarvan? Niet van-
Nee, ik knip mijn haar. Minstens tien centimeter moet eraf. Fris. Alles moet fris.
Vanaf nu kan ik doen wat ik wil. Geurkaarsen branden, zelfs de vanillegeur. De Titanic drie keer achter elkaar zien en dan steeds harder huilen. Chocolade eten, zonder gezeur om suikers. Een joggingsbroek naar buiten dragen, ook al is dat niet sexy.
Maar ik wil het niet.
Wanneer ik onder de douche sta, komt het besef tegelijkertijd met het inzepen: met het wassen is zijn geur weg. Hij is echt weg.
Het douchewater vermengt zich met de tranen. Fris, fris, alles moet fris.

mei 22nd, 2013

Laura’s liefdesletteren: voor de gek

hartjeopmijnhandomdathetkan

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

‘Ober,’ begon zij steeds. ‘Mijn man vindt de biefstuk te rauw, maar naar mijn mening is hij prima. Wat denkt u?’
Eerst de twijfelende ogen van de één naar de ander, dan het gestamel.
‘Eh ja, mevrouw, uh dat kan, m-maar ja ehm…’
Koortsachtige gedachtes en dan de opluchting op het gezicht: ‘Zal ik anders een nieuwe biefstuk voor u halen, meneer?’
Beiden probeerden hun lach in te houden.
‘Schat,’ zei hij op scherpe toon. ‘Moet je me nou echt voor lul zetten in dit restaurant? Alwéér?’
‘Lieverd,’ antwoordde zij geroutineerd. ‘Ik kan jouw gezeik gewoon niet langer aanhoren.’
Stoelen die schuiven, omgedraaide hoofden, uitpuilende ogen.
En als ze thuis kwamen, proesten van het lachen en de avond op een hele fijne manier voortzetten.

‘Kijk nou wat je doet!’
De caissière keek geschrokken naar hem, terwijl hij haar hoofdschuddend aankeek en fluisterde: ‘Ze is ongesteld.’
‘Dat hoorde ik wel!’
Haar gezicht zo dicht mogelijk bij de zijne: ‘Ik weet wel wat er vanavond níet gaat gebeuren, mannetje.’
Hopeloos stond de caissière met het pakje sigaretten in haar handen. Wel of niet onderbreken? Kuchen of het laten gaan?
‘Krijg ik mijn peuken nog of hoe zit dat?’
Met een rood hoofd gaf de caissière ze aan haar, kreeg nog een vernietigende blik op de koop toe.
Buiten sloeg hij een arm om haar heen, gaf haar een kus in de nek.
‘Wat doen we die arme mensen toch aan.’
Ze glimlachte.
‘Plagen mag.’

‘Het gaat ook altijd hetzelfde met jou!’
Zij stond aan de ene kant van hun kleine appartement, hij aan de andere. Een bord in haar handen. Hij probeerde weg te duiken, maar een deel van de scherven kwam over hem heen, verspreidde druppels bloed op zijn overhemd.
‘Ik ben jou zo zat.’
Dreigend kwam ze op hem af. Hij schoof op, stootte met zijn voet tegen de hoek van de bank, struikelde over haar kleding op de grond, reikte naar de deurknop en was verdwenen.
‘Waar ga je naar toe?’
Deze keer geen publiek om voor de gek te houden. Deze keer geen gelach achteraf.

januari 14th, 2013

Laura’s liefdesletteren: eenhoorns

hartjeopmijnhandomdathetkan

Blogonderwerp bedacht door: Dionne.

Ik wil vaker fictie schrijven en daarom heb ik dit onderdeel in het leven geroepen. Verhaaltjes over – je raadt het al – liefde. Omdat liefde fijn is. En stom. En raar. En bijzonder. Allemaal tegelijk.

***

Het eerste knuffeltje was van hem. Urenlang had hij in de winkel gestaan. Geen beer, geen aap, geen konijn. Zijn kleinkind zou iets bijzonders krijgen. Pas op het einde had hij hem gezien. Paarse manen, roze lijfje en een zilveren hoorn. De verkoopster had het zorgvuldig ingepakt in vloeipapier en geglimlacht.
Van de andere opa en oma had ze een pop gekregen. Wat moest een baby nou met zoiets? Als ze sliep, hield ze het eenhoorntje stevig vast, alsof ze bang was dat iemand het zou afpakken. Naar de pop keek ze niet om.

Later moest de eenhoorn altijd mee, ook als ze bleef logeren. Hij stopte haar in, gaf haar een kus op het voorhoofd.
‘Kroel ook.’
Ook Kroel gaf hij een kusje, net naast het hoorntje.
‘Welterusten.’
‘Welterusten, opa.’
Hij had de deur net dicht gedaan, toen hij weer open ging. Ze trok aan zijn shirt en hij ging op zijn knieën zitten. Ze sloeg haar armen om hem heen. Haar haren roken naar lavendel.
‘Ik hou van jou.’ fluisterde ze in zijn oor. ‘Ik wil je nooit meer kwijt.’
Hij kon niets uitbrengen, terwijl hij zoveel wilde zeggen, maar ze was al terug geslopen naar bed.

Hij kijkt naar het water. De eendjes zwemmen onder de brug. Hij heeft geen brood bij zich. In je eentje is er niets aan. In mei wordt ze vijftien. Zou ze nog steeds van eenhoorns houden? Nee, kleine meisjes worden groot. Kroel ligt vast bij het vuilnis. Net als de rest van zijn cadeaus en kaarten die hij steevast blijft sturen. Zijn tranen maken kringen in het water. De tijd van eenhoorns is voorbij.

december 23rd, 2012

De pianostemmer die niet pianospelen kon

pingelenpingelenpingelen

Soms, als Martin met zijn autootjes of houten blokken aan het spelen was, klonk het gepingel van zijn moeder. Wanneer ze even niets te doen had, de aardappels waren geschild, de was al gedaan, legden ze haar vingers op de witte en zwarte toetsen en speelde. Beethoven. Altijd maar Beethoven. Für Elise, één, twee, drie keer achter elkaar. Meer kon ze niet.
Na een tijdje gingen bij de eerste noten zijn haren al recht overeind staan. De eerste keer kon hij nog net uitstaan, maar bij de derde herhaling bedekte hij zijn oren met zijn handen en liep geïrriteerd de kamer uit.
‘Martin, ga nou op pianoles,’ probeerde zijn moeder een paar jaar later. ‘Het is zo’n mooi instrument.’
Ze zette zijn handjes op de toetsen, maar hij gilde ‘Neeeeeeeeeeeeeeeeeeee!’ en uiteindelijk gaf ze het op.

De vingers van zijn moeder begonnen pijn te doen en ze konden het geld goed gebruiken. Dus werd de piano, een erfstuk van zijn grootvader, verkocht. Martin dacht er jaren niet meer aan, totdat hij op bezoek ging bij een vriend. Terwijl hij en zijn vriend de meisjes uit hun klas bespraken (‘En Jeanet dan?’ ‘Nee, die is te arrogant.’), klonken op de achtergrond de eerste tonen van Für Elise. Meteen voelde Martin de kippenvel op zijn huid. Maar niet vanwege het liedje.
De piano was vals.

‘Zo, hij is weer zuiver hoor,’ zegt de pianostemmer tegen mij en hij geeft een zachte klap op het hout.
‘Weet je het zeker?’
‘Ja, speel maar.’
‘Waarom speel jij niet?’
Hij glimlacht.
‘Ik kan niet pianospelen.’
Hij pakt zijn spullen in, doet de voordeur open en zwaait naar me. Verbaasd blijf ik staan.
‘Dag Martin!’ zeg ik nog, maar te laat.

(mijn pianostemmer kan serieus niet pianospelen en ik weet niet waarom, maar dit zou zomaar de reden kunnen zijn)