Het leven is zwaar

Ik word wakker van mijn mens dat met een blikje rammelt.
‘Tijgertje, eten!’
Ik open één oog en besluit dat het niet de moeite waard is om die andere ook te openen. Het mens blijft echter maar doorgaan.
‘Hmm, lekker vis. Dat is goed voor je.’
Eet het dan zelf op, mens. Nee, het is nog lang niet tijd om op te staan, wat mij betreft. Ik denk aan mijn to do-list van vandaag. Een flinke wasbeurt, staren naar Witje van de overkant (ik ben zo jaloers op haar vacht) en vanavond de hele tijd geaaid worden. Ik word moe bij het idee alleen al. Misschien kan ik de dag beter beginnen met nog een dutje. Ik voel mijn oogleden zwaarder worden, mijn droom over snoepjes is al bijna in zicht, totdat ik plotseling twee armen om mijn lijf voel.
‘Poesjeeeee!’
Oh god, het andere mens is ook wakker. Agressief aait hij over mijn kop en ik voel mijn haren overeind gaan.
‘Afblijven!’ snauw ik.
‘Ja, poesje,’ zegt het mens, op dat vreselijk zoetsappige toontje van hem. ‘Wie is er een lief poesje?’
Nou, ik in ieder geval niet. Ik zet mijn nagels in zijn hand en gelukkig laat hij me los. Goed, waar was ik gebleven? Oh ja, een dutje. Maar het mens laat me niet met rust, hij houdt het muisjesspeeltje voor mijn neus (alsof ik het verschil niet kan zien met een echte muis) en pakt zelfs een kartonnen doos voor me. Dat domme wezen begrijpt niet dat het pas over een uur of drie kartonnendoostijd is.
‘Ja, jij wil wel geaaid worden he?’
Eh nee. Zoveel dommigheid kan ik niet aan. Er zit niets anders op. Ik wring me  met moeite door het luikje (iets teveel snoepjes gegeten de laatste tijd) ‘Poesje, waar ga je nou heen?’ en voorlopig kom ik niet meer terug (oké, ook omdat ik bang ben dat ik niet meer terug door het kattenluikje kan door die extra snoepjes). Sniffend laat ik mijn mens achter. Tijd voor wat rust.