Fictief interview met Dikkie

 

https://www.instagram.com/p/BN30CTmAY3V/?taken-by=lauradenktwel

Al een paar jaar is er geen fictief interview meer te vinden op mijn blog en dat is natuurlijk jammer. Er zouden meer fictieve interviews in de wereld moeten zijn. Voor iemand die door haar vrienden als kattenvrouwtje bestempeld wordt (tss, alleen maar omdat ik maandelijks naar het kattencafé ga), schrijf ik bizar weinig over mijn eigen kat. Daarom vandaag een fictief interview met Dikkie.

‘Psst, slaaf!’
Verbaasd kijk ik om. Waar komt dat geluid vandaan?
‘Slaaaaaaf, slaaf, slaaf, slaaf.’
Ik kijk naar beneden en zie daar de schattigste kat ooit staan. Maar waarom noemt Dikkie me slaaf, ik ben toch gewoon haar baasje? Ze rolt met haar ogen.
‘Ik ben hier de baas.’
Oké, ik laat haar gewoon in de waan.
‘En ik ben niet tevreden over jouw prestaties.’
Mijn mond valt wijd open. Haar bakje is altijd met brokjes gevuld en er staan meerdere bakken met water. Als ze me ’s nachts wakker maakt, omdat mevrouw geaaid wil worden, word ik niet boos. Nee, ik aai haar gewoon. Wat valt er nog meer te presteren?
‘Ik heb het over je zangtalenten, of eerder het gebrek daaraan.’
Ik voel mijn wangen rood worden en hoop dat ze niet verder gaat. Niemand weet dit en dat wil ik graag zo houden. Laat staan dat al mijn miljoenen bloglezers dit te weten komen.
‘Weet je wel, dat liedje dat je altijd zingt. ‘Ik hou van Dikkie’ op het deuntje van ‘Ik hou van Holland’. Of ‘Dikkie, je bent de mooiste van de hele wereld’ op het deuntje van ‘Mama, je bent de liefste van de hele wereld’. Ik word helemaal gek. Het is vast aardig bedoeld ofzo, maar JE KAN NIET ZINGEN. KAP ERMEE.’
Verslagen zit ik op mijn stoel. Het lukt me niet eens meer om haar aan te kijken, dit monster dat me nu verraadt. Alles heb ik haar gegeven, álles. Behalve de Griekse yoghurt die ik eet of meer dan een klein stukje kip of kaas. Maar voor de rest toch wel heel veel. En nu vertelt ze mijn grootste geheim aan de hele wereld. Toch draai ik na een paar minuten mijn hoofd om en kijk in die groene, giftige ogen.
‘Dikkie,’ zing ik. ‘Je bent de stomste van de hele wereld.’

Sindsdien heb ik haar niet meer gezien.

Fictief interview met mezelf

1604912_10151931103709895_1974125840_n
I’m fabulous.

‘Zo, jij bent écht klein!’ is het eerste dat ik zeg als ik de famous Lauradenkt tegenkom. Ze kijkt me boos aan.
‘Moet jij zeggen.’
Ze heeft die rode winterjas aan, waardoor ze net een rode, boze tuinkabouter lijkt. Misschien kan ik dat maar beter niet tegen haar zeggen. In mijn tas heb ik chocoladekruidnoten, als cadeautje, maar weet je, fuck haar, ik eet ze lekker helemaal zelf op.
‘Zullen we maar gaan zitten?’ zeggen we allebei tegelijkertijd.
Zij neemt warme chocolademelk met slagroom. Shit. Dat wilde ik ook net nemen. Nou ja, dan maar een na-aper. Ik wil mijn eerste vraag stellen, maar word afgeleid door een kat die langs loopt. Laura ziet het ook.
‘Wat een lief poesje!’ gilt ze. Meteen rent ze het koffiezaakje uit om het beest te aaien. Ik twijfel geen minuut en ga ook. We steken allebei onze handen uit. Naar wie zou hij toe lopen? Hij kiest haar. Rotkat.
Na een aaisessie van een uur kunnen we dan eindelijk beginnen.
‘Hoe voelt het om zo famous te zijn?’ vraag ik.
Laura begint te zuchten.
‘Ach weet je,’ zegt ze. ‘Het is echt wel leuk, maar soms zó zwaar. Ik kan niet normaal meer over straat. Iedereen wil wat van je. Een foto, een handtekening, een zoen. Veel mensen zijn ook jaloers, omdat ze niet  tegen mijn fabulousheid op kunnen. Maar ik kan er ook niets aan doen, ik ben gewoon zo geboren.’
Ik weet precies hoe ze zich voelt. Ik ontvang dagelijks duizenden tweets met ‘Omg, ik zag Lauradenkt op straat!i!i! #famous #loveher #toocooltohandle’. Ik heb echt geen tijd om daar allemaal op te reageren. Kom op zeg.
‘Heb je soms het idee dat je te arrogant bent?’
Ze trekt haar wenkbrauwen op.
‘Pardon?’
Shit. Dat kan de bitch natuurlijk niet hebben.
‘Eh, niet dat ik dat vind hoor!’ zeg ik snel. ‘Sommige mensen worden arrogant als ze beroemd zijn.’
Laura schudt haar hoofd.
‘Nee, ik heb geen kapsones. Ik ben net zo normaal als iedereen, als jij bijvoorbeeld. Zo heb ik een vriendje die nauwelijks in de buurt van mijn beroemd- en beruchtheid komt. Eén keer in het jaar doe ik mijn eigen boodschappen. Soms zeg ik zelfs random mensen op straat gedag.’
Pff, kapsones dus.
‘Zoals ik al zei: ik heb hier ook niet voor gekozen.’ gaat ze verder.  ‘Ik ben uitverkoren. Mensen houden gewoon van me. Ze geven me zelfs chocoladekruidnoten, sturen chocolade op… Betaal jij trouwens voor mijn warme chocolademelk met slagroom?’
Tsssss. Vandaar dat ze zo dik is geworden.
‘Serieus? Verwacht jij SE-RI-EUS dat ik jouw drank betaal? Ik ben maar een arme blogger hoor. Rot op, arrogant wijf!’
Ik sla met mijn hand op tafel (au, dat deed pijn) en ren de koffiezaak uit. Dat was eens, maar nooit meer.

Fictief interview met een kat

IMG-20140406-WA0002
Waarom maak je een foto van me, bitsjjjj!

Ik praat dagelijks met katten ‘Hey, lief poesje!’, maar wat als ze terug zouden praten? Dat gaat ongeveer zo:

Ik zie iets bewegen in mijn ooghoeken. Zou het…? Ja, JAAA,  het is een kat! Als een gek trippel ik erop af, waardoor het poesje zich juist steeds verder van mij beweegt.
‘Hey!’ roep ik en maak me klein, want dat vinden katten leuk, dan lijken ze superieur.
Ik steek mijn hand uit en de kat komt nieuwsgierig snuffelen.
‘Rookvlees gegeten?’ vraagt hij, terwijl hij met zijn ruwe tong over mijn hand likt.
Ik knik en kriebel de kat achter zijn oren. Hij begint meteen te spinnen.
‘Wie is er een lief poesje?’ zeg ik met een hoog stemmetje. ‘Ja, jij bent een lief poesje!’
De kat kijkt me boos aan en stopt met spinnen.
‘Doe even normaal ofzo,’ zegt hij.
Pff, die is chagrijnig zeg. Nou, ik doe gewoon alsof ik het niet hoor. Ik begin hem te aaien over zijn rug.
‘Naar rechts, nog een beetje naar onder, oeh ja, daar!’ roept de kat.
Telkens als ik één seconde stop met aaien, begint hij nijdig te blazen, dus ik ga maar door. Wat een mooie vacht heeft hij toch. En zo zacht.
‘Je bent het mooiste poesje van de wereld,’ zeg ik tegen hem. ‘Zo’n schatje!’
Meteen maakt hij een hoge rug en wordt zijn staart dik.
‘Ik ben al bijna zestien jaar en heel stoer,’ zegt hij nijdig. ‘Dus kappen met dat kleffe gedoe.’
Wat een arrogant beest zeg. Geef ik een kat eens complimenten, krijg ik dit divagedrag ervoor terug. Tsss. Ik sta op en loop zo snel mogelijk weg, terwijl ik achter me hoor: ‘Hé, ga je nou niet verder met kriebelen?’

Fictief interview met Oegstgeest

Ik was gewoon thuis, toen er plotseling iemand in mijn kamer stond: het was Oegstgeest. Feitelijk is hij er altijd al, maar hij besloot me nu aan te spreken.
‘Zo, dus dit is nu je kamer?’
‘Ja, Oegstgeest,’ antwoordde ik.
‘Wist ik al haha. Ik weet alles.  ALLES.’
Hoewel hij lachte, werd ik toch een beetje bang. Wist hij echt alles?
‘Ja, zo weet ik bijvoorbeeld dat je nu bijna een jaar in mij woont.’
Dat klopte. Een jaar alweer. Goh zeg. Wat ging de tijd toch snel. Hoe wist hij dit allemaal toch?
‘En in een jaar tijd weet je nog steeds niet waar het zwembad is. Je hebt nog maar één kasteel gezien van de twee. Je bent pas begonnen met Oegstgeest ontdekken toen je ging skeeleren. Je bent nog nooit in Warmond geweest, terwijl dat dichterbij dan Leiden is.’
Ik moest het toegeven, dus knikte en knikte ik. Oké, ook omdat ik best wel bang van Oegstgeest was. Ik snapte eigenlijk niet waarom Jan Wolkers terug naar Oegstgeest ging.
‘Over Leiden gesproken: daar houd je wel van he?’
Oh jee.
‘Eh, het is een leuke stad.’ zei ik.
Oegstgeest kwam steeds dichterbij. Mijn gezicht raakte bijna de zijne.
‘Ja, dat is te merken. Meerdere malen in de week fiets je van me weg om naar Leiden te gaan. Pff, Leiden. Wat heeft Leiden dat ik niet heb? Oh het is groter? Nou en. Klein is fijn. Dat roep je zelf ook altijd.’
Shit. Ik wilde geen ruzie met Oegstgeest, want hij is nogal intimiderend. Hoe kon ik dit nou oplossen? Er verscheen een brandend lampje boven mijn hoofd.
‘Maar lieverd, ik kom toch altijd weer naar je terug? Ik kom altijd terug naar Oegstgeest. Jij bent mijn veilige haven.’
Oegstgeest glimlachte en er verschenen blosjes op zijn wangen. Hij staarde verlegen naar de grond, terwijl hij vroeg: ‘Meen je dat echt?’
Ik knikte. Daarna is Oegstgeest nooit meer vervelend geweest.

(stiekem ga ik nog steeds naar Leiden, maar niet aan hem vertellen hoor, want ik kom altijd terug naar Oegstgeest!)

Fictief interview met mijn eenzaam onkruid

pasopditonkruidiseenzaam

Mijn geluk kon niet op toen ik mijn kamer in Oegstgeest kreeg. Het was ruim, relatief goedkoop en… er zat een balkon bij. Vol enthousiasme ging ik kijken. Maar hoe goed ik ook keek, nergens een balkon te vinden.
‘Ja, daar!’ wees de studentbeheerder.
Ik volgde de lijn van haar vinger en verdomd, er was inderdaad een balkon. Van één vierkante meter. Die ik moest delen met de buurvrouw.

De vorige bewoonster had duidelijk groene vingers, want uit de plantenbakken groeide iets. Geen viooltjes. Geen geraniums. Ik kon het niet zo goed definiëren, maar ik heb dan ook geen verstand van planten. Ik besloot ermee te praten.

‘Hoi onbestemde plant.’
Hij keek me niet eens aan, terwijl hij antwoordde: ‘Zeg maar Onkruid.’
‘Hoe bevalt het je zo hier, op mijn balkonnetje, Onkruid?’
Een diepe zucht.
‘Slecht. Het is zo eenzaam hier.’
‘Maar je hebt toch een plantenbak naast je?’
Van de buurvrouw.
‘Hallo, wil jij beweren dat jíj contact hebt met je buren?’
Ik mompelde dat ik me een keer had voorgesteld, maar dat ik geen contact meer wilde, nadat ik erachter kwam dat de buurvrouw op het balkon rookte.
Gelukkig kwam ik op een briljant idee.
‘Zal ik anders zorgen voor plantjes in jouw bak?’
Voor het eerst verscheen er een, spottende dat wel, glimlach op zijn gezicht.
‘Hoe wil je dat gaan doen dan? Jij kan een narcis nog niet eens van een roos onderscheiden.’
Pfff, dat was echt niet waar, een narcis heeft stekels en een roos is geel. Duh.
‘En bovendien…’
Zijn stem kraakte.
‘Die gaan toch dood. En ik verga niet. Ik overleef alles en iedereen.’
Stilte. Over twee jaar, als ik hier weg ben, dan is Onkruid er nog. Zelfs over honderd jaar, wanneer 121 ben, staat hij daar, in die plantenbak. Hij is wat wij mensen zo graag zouden willen zijn: onsterfelijk.
‘Ach, ondankbare rotplant.’ riep ik. ‘Jij gaat tenminste nooit dood!’
Beledigd draaide hij zich om en weigerde me nog aan te kijken. Ik deed de balkondeur dicht en ging verder met de belangrijke dingen des levens (social media, TLC kijken). Toen ik vandaag weer keek, had ik geen uitzicht meer: Onkruid besloot om dusdanig veel te groeien dat ik de flat aan de overkant uit het raam niet meer kon zien.

Morgen ga ik een nieuwe plantenbak kopen.

Fictief interview met mijn kledingrek

kamerrrrrr

Met mijn kledingrek heb ik een haat-liefdeverhouding. Ik heb hem nodig voor mijn kleding (ik heb ook een ladekast, maar daar past lang niet alles in), maar hij valt elke week minstens één keer uit elkaar.

Tijd voor een goed gesprek.

‘Yo Laura, alles goed?’ riep mijn kledingrek, toen ik mijn kamer binnen stapte.
Ik keek hem chagrijnig aan.
‘Ik denk dat je daar het antwoord wel op weet.’
Mijn kledingrek lachte breeduit.
‘Goed dus?’
Ik zuchtte. Wat zijn kledingrekken toch dom.
‘Alles behalve.’
Met mijn rug naar hem toe ging ik aan de tafel zitten. Dat schijnheilige gezicht hoefde ik voorlopig niet meer te zien. Maar ik had mijn laptop nog niet opgestart of hij kwam al naast me zitten en legde een arm om me heen.
‘Wat is er dan, lieverd?’
Ik sloeg zijn arm van me af. Viezerik.
‘Dat weet je heus wel.’
Hij keek me aan, maar ik vermeed zijn blik en deed alsof ik heel druk bezig was met Twitter.
‘Zeg het nouuuuuuuuuu.’
Waarom had ik niet gewoon een grote kledingkast gekocht in plaats van zo’n nutteloos, dom, irritant ding? Kledingkasten schijnen heel lief te zijn.
‘Je bent gisteren weer in elkaar gestort. ’s Nachts. Bovenop mij. Ik schrok me dood!’
Nu hield hij wel zijn mond. Lekker rustig. Maar na een paar minuten kwam er toch wat gebrabbel uit.
‘Oh… Eh, ja. Het spijt me… Ik zit gewoon niet lekker in mijn vel de laatste tijd.’
Verbaasd keek ik mijn kledingrek aan.
‘Maar je bent altijd zo vrolijk!’
‘Nou ja, niet dus. En dat reageer ik dan op jou af. Sorry.’
‘Eet je wel genoeg chocolade?’ vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik ben op dieet. De kleding past me niet meer.’
Ik zuchtte. Dom, dom kledingrek.
‘Diëten is niet goed. Ga maar gewoon weer chocolade eten. Ik houd niet van droevige kledingrekken en zeker niet als ze mijn nachtrust verstoren. Hier, een bonbon.’
Mijn kledingrek keek er even naar, maar at hem toen in één keer op. Er verscheen een gelukzalige glimlach op zijn gezicht.

Sindsdien is hij niet meer in elkaar gestort.

Fictief interview met warme chocolademelk

Sinterklaas is voorbij. De schappen liggen nu vol met kerstkransjes in plaats van chocoladekruidnootjes. Ik ben gebroken. Ik ben helemaal kapot. Heeft het leven nog wel zin? Ik betwijfel het.

Terwijl ik gisteren in een hoekje van mijn kamer zat te huilen, kwam er een doosje van Nestlé aangelopen. Het was warme chocolademelk (die nog niet echt warm was, want hij zat nog in zakjes, maar goed). Hij legde een arm om mijn schouder.
‘Hé Laura, wat is er, meisje?’
Het duurde even, voordat ik in staat was om antwoord te geven.
‘D-de chocoladekruidnootjes waren op bij de Kruidvat en n-nu heeft alles geen zin meer en-‘
Ik begon hard te snikken. WCM haalde een zakdoekje tevoorschijn.
‘Ja lieverd, dat is erg vervelend. Ik weet hoeveel je van hen houdt. En zij van jou. Maar weet je, het is december. In maart zijn ze alweer terug.’
Ik stond op en keek WCM boos aan.
‘AL? WAT NOU AL? Weet je niet hoe lang het duurt, voordat het maart is? En ik heb niet eens een voorraadje aangelegd…’
Ik stortte weer in elkaar, het werd zwart voor mijn ogen. Toen ik weer bij kwam, stond WCM daar nog steeds. Hij keek me stralend aan.
‘Ik weet al hoe ik jou weer blij moet maken.’
De hoop gloeide op in mijn borst.
‘Ja? Vertel.’
Hij liet een stilte vallen, voor het dramatische effect.
‘Wat jij nodig hebt, lieve Laura, is…’
Er klonk trommelgeroffel op de achtergrond.
‘MIJ!’
Ik moest lachen. WCM? Haha nee joh, niets kon de plaats van chocoladekruidnootjes innemen. Maar toen bedacht ik me waar WCM voor stond: warme CHOCOLADEmelk.
‘Je bent geniaal!’ antwoordde ik. ‘Kom, ik ga je meteen maken.’
Ik haalde een zakje uit hem, kookte water en stopte de inhoud van het zakje daarin. Met een brede glimlach op mijn gezicht begon ik te roeren met een lepeltje. Hmmm, die aroma.

En toen kwam het besef, als een klap in mijn gezicht: ik had geen slagroom in huis. Met een boog kwam WCM in de goot terecht en ik rende mijn kamer in, naar het hoekje toe. Het huilen is nog steeds niet opgehouden…

Fictief interview met de winter


De enige reden dat ik lach op deze foto is omdat ik net warme chocolademelk op had. Voor de rest kijk ik altijd verdrietig dan wel angstig in de winter. 
De foto is gemaakt door Caithlin die al veel te lang niet geblogd heeft (ja, dat is een hint).

Ik weet dat het dit weekend nog wel redelijk warm was voor deze tijd van het jaar. Maar wat jullie niet weten, is dat de winter om het hoekje staat te lachen. ‘Haha.’ denkt het weer. ‘Ik ga lekker iedereen in de war brengen door het dit weekend warm te laten zijn en dan komt BOEM plotseling de ijzingwekkende kou van de winter.’
Dit kan ik natuurlijk niet laten gebeuren.

Elke winter denk ik weer: hoe ga ik dit in godsnaam overleven? Ik moet bekennen dat het tot nu toe altijd gelukt is, maar dat biedt geen garantie voor de komende maanden. Al meerdere keren ben ik ’s nachts bijna vastgevroren aan mijn fiets en het heeft nog niet eens gevroren, dus dat vind ik wel een prestatie. Tijd voor een gesprekje.
‘Hé winter!’ riep ik, na eindeloos zoeken, want hij had zich goed verstopt.
Hij deed net alsof hij me niet zag, maar ik bleef maar roepen en rende uiteindelijk achter hem aan. Hij hield het rennen niet zo lang vol en terwijl hij uit stond te hijgen, kwamen er witte wolkjes uit zijn mond.
‘Nouuu Laura, wat toevallig!’ zei hij. ‘Wat doe jij nou hier?’
Ik zuchtte.
‘Doe maar niet alsof je me net niet zag. Het maakt niet uit hoe goed je je verstopt, iedereen weet dat je binnenkort tevoorschijn komt hoor.’
De winter keek teleurgesteld.
‘Zelfs de NS?’
Ik lachte.
‘Nee oké, iedereen behalve de NS. Die doen net alsof ze je niet zien. Maar goed, ik wilde het ergens met je over hebben.’
De winter keek als een kind dat wist dat het stout was geweest.
‘Nou?’
‘Zou je dit jaar alsjeblieft niet willen verschijnen? Ik ben je eigenlijk wel een beetje zat. Leven met jou is moeilijk, weet je. De treinen rijden niet, fietsen is gevaarlijk, ik kan me niet bewegen door bevroren ledematen. Die sneeuw is wel mooi, totdat het allemaal zo’n smerige, bruine boel wordt. En oké, er is kerst enzo, maar voor de rest is er dan ook echt niets leuks aan jou.’
De winter knikte begrijpelijk.
‘Nee natuurlijk, heb je helemaal gelijk in. Weet je wat, ik heb er ook geen zin in dit jaar. Ik denk dat ik gewoon op vakantie ga, naar Brazilië ofzo. Dan heb jij ook even een paar maanden rust.’
Ik haalde opgelucht adem en klopte de winter op zijn schouder.
‘Ah dat vind ik echt heel lief van je, dankje!’
We namen afscheid en blij huppelde ik weg. Ik keek nog even over mijn schouder en even dacht ik de winter achter een bosje te zien, alsof hij me achtervolgd had. Ik schudde mijn hoofd en lachte. Nee, vast verkeerd gezien. We hadden immers een deal. Toch?

Fictief interview met chocoladekruidnootjes


Foto: Ariska.

‘Oh en ik heb nog wat voor je.’ zei mijn moeder, vlak voordat ze weer naar mijn ouderlijk huis zou rijden.
Ik hield mijn hart vast, want ik had al een voorgevoel en jawel, het klopte: chocoladekruidnootjes.
Shit, dacht ik.
‘Dankje!’ zei ik.
Ze ging weg en toen begon het.

Ze lagen op mijn bureau.
‘Maak het zakje open!’ riepen ze naar me.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee joh, ik heb geen trek en het is zonde om jullie nu al op te eten en ik heb vandaag helemaal niet gesnoept, dus dat moet ik volhouden en…’
Wist je dat chocoladekruidnootjes ook puppy-oogjes op kunnen zetten? Nou, ik weet dat nu in ieder geval wel.
‘He jongens,’ zei ik geïrriteerd. ‘Laat me met rust! Ik heb jullie broertjes en zusjes vorige week ook al opgegeten en-‘
‘Maar we zijn zo lekker!’ riepen ze. ‘Een combinatie van kruidnootjes én chocolade, het is ongekend!’
Sterk blijven, Laura, sterk blijven. Ik facebookte een beetje, zette muziek aan, schreef een blogje, maar steeds weer hoorde ik die stemmetjes piepen.
‘Eet ons, Laura, eet ons!’
Nee, dit ging hem niet worden. Misschien moest ik juist wel het gesprek aangaan met hen.
‘Waarom willen jullie dat eigenlijk zo graag?’
Ze glimlachten.
‘Dat is ons doel in het leven, om door jou opgegeten te worden. Je bent zo lief, Laura en zo goed voor deze wereld. Wij zijn gemaakt voor jou. Jij en wij zijn voorbestemd.’
Mijn wangen begonnen te blozen. Wat lief zeg, dat had nog nooit een pepernoot of een ijsje tegen me gezegd. Voorbestemd. Zou dit dan ware liefde zijn?
‘Menen jullie dat nou?’
Ze knikten allemaal tegelijk.
‘Jij en wij zijn ntb, Laura. Forevah. Zonder jou kunnen we niet.’
De gedachte dat het juist andersom was, kwam even in me op, maar ik duwde hem weg en staarde dromerig voor me uit. Een toekomst vol chocoladekruidnootjes. Dat leek me wel wat.
‘Eet ons, Laura!’ riepen ze weer met hun lieve stemmetjes.
Ik scheurde het zakje open en stopte één voor één de chocoladekruidnootjes in mijn mond. Hmmm, wat is liefde toch heerlijk. Nog een chocoladekruidnootje. Nog één. Wacht, waar was ik in godsnaam mee bezig? Dit was geen echte, ware, heuse, sprookjesliefde. Deze liefde maakte me misselijk. En dik. En verdrietig.
Ik keek het ene overgebleven chocoladekruidnootje boos aan. Hij begon te huilen.
‘Alsjeblieft, Laura, eet me op, alsjeblieft. Ik wil niet alleen blijven.’
Ik zette mijn meest dramatische stem op.
‘Het is over tussen jou en mij.’
Hij sprong weg en ik heb hem niet meer kunnen vinden, maar ik denk dat hij zelfmoord heeft gepleegd…

Fictief interview met mijn kamer

Na de zomer verhuis ik naar een nieuwe kamer in Oegstgeest. Nu ik hier nog woon, leek het me een goed idee om een keer het gesprek aan te gaan met mijn oude kamer.

Slechte ideeën heb ik toch.

Ik deed de deur van kamer open en zei: ‘Goeeeeeeeeedemorgen!’
‘Hoi.’ klonk het dof.
Ik haalde mijn wenkbrauwen op.
‘Alles goed?’
Mijn kamer keek me niet aan toen hij antwoordde.
‘Ach ja, wat is goed? Met jou gaat het blijkbaar wel goed.’
‘Ja, dat klopt. Vind je dat erg dan?’
Mijn kamer ging met zijn rug naar mij toe zitten.
‘Ja…’ klonk het zacht.
Ik ging naast hem zitten en sloeg mijn arm om hem heen. Gelukkig sloeg hij die niet weg, zoals ik eigenlijk verwacht had.
‘Wat is er dan, lieverd?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Ik vind het niet leuk dat je me in de steek laat.’
Verontwaardigd stond ik op.
‘Wat? Waar heb je het over? Dat ik naar Oegstgeest ga?’
Mijn kamer knikte.
‘Ja. Je hebt een nieuwe kamer gevonden. Je hebt het er de hele tijd over hoeveel groter en leuker hij is dan ik. En hem ga je veel meer zien. Ik voel me achtergesteld.’
Ach, arm kamertje van mij. Ik had er geen idee van dat hij zo verdrietig was.
‘Oh liefje, maar jij blijft toch altijd mijn eerste kamer? Ik woon al mijn hele leven in je, je denkt toch niet dat onze liefde niets meer voor me betekent, alleen maar omdat ik naar een ander ga? En bovendien kom ik terug in het weekend, dan heb ik alle tijd voor je.’
Ik bood hem een glaasje roosvicee aan.
‘Het komt wel goed, schatje.’

Maar toen ik daarna even naar beneden ging, hoorde ik hem toch nog zacht snikken.