Poesje van de buren

Ik ben verliefd. Niet op mijn vriendje (ja ook wel, maar niet zo heftig). Niet op een andere man. Nee, ook niet op een andere vrouw. Op een kat: Luca (op zijn Italiaans uitspreken met je vingers gevormd tot een Italiaans gebaar).

poesje van de buren

Luca is het poesje van de buren. Nee, niet van onze buren (die overigens ook een kat hebben, maar die vriendschap verloopt nog moeizaam), maar van de buren van de ouders van Jeroen. Volgt u het nog? We hebben altijd al gevoelens voor elkaar gehad, maar nu zijn ze ook daadwerkelijk tot uiting gekomen.

De buren van de ouders van Jeroen gaan namelijk vaak op vakantie. Iets met kinderen die al uit huis gaan en een geldoverschot (kinderen zijn duur). No problemo, want wie mogen er dan op de kat passen? Jeroen en ik natuurlijk. Toen we gingen verhuizen, kregen we zelfs een kaart waarop stond: Groetjes buurman, buurvrouw én Luca.

Als Luca me ziet, komt hij meteen op me afgesneld en begint als een gek kopjes te geven. Als ik blote benen heb, gaat hij ze likken (blijkbaar ben ik erg vies… of lekker natuurlijk) en hij zit graag op mijn schoot (wat behoorlijk pijnlijk is met zijn nagels, maar voor de liefde heb ik alles over). Ik aai hem totdat mijn vriendje zegt dat er alweer een hele dag voorbij is en dan kan de blik in zijn ogen dan niet aan (zowel van het poesje als van mijn gekwetste vriend).
‘Laat me niet in de steek,’ zegt het poesje dan. ‘Dump die jongen en kom bij mij wonen, in mijn poezententje.’

Ik zou niets liever willen. Maar onze liefde, hoewel sterk en diepgaand, is onmogelijk. Het wordt niet geaccepteerd door de buren, door Jeroen en al helemaal niet door de maatschappij. De rest van ons leven zullen we naar elkaar smachten en genieten van de momenten dat we samen mogen zijn.

Luca, ti amo.

Terug naar Oegstgeest: de buurtjes

20121217_142809

Ik woon nu meer dan drie maanden in Oegstgeest. Dit is geen vrijstaande villa (wat je waarschijnlijk zou verwachten), maar een studentenwoning die ik deel met één huisgenootje. Dit betekent vanzelfsprekend ook dat ik buren heb.

Ze zeggen wel eens: beter een goede buur dan een verre vriend. Ik heb geen idee hoe mijn buurtjes heten, maar toch zal ik ze even aan jullie voorstellen (hieronder reken ik ook de buurtjes van de buurtjes en daar weer de buren van).

– De plantjesburen (zie foto).
Groen is cool. Dat weten deze buren ook wel. Bij gebrek aan een tuin (ja, we hebben allemaal een balkon dat we moeten delen met onze buren van de ene kant, maar daar past krap één stoel op, dus dat mag de naam balkon niet eens krijgen) gebruiken ze de galerij. Want ja, die plantjes zijn toch wel erg leuk. Je eigen bieslook kunnen knippen enzo. Ik heb er dan ook geen bezwaar tegen (behalve als het gewaaid heeft en ik mijn lenigheid moet gebruiken om ze te ontwijken). Ik vind het wel handig. Als ik munt nodig heb, kan ik dat gewoon pakken (dat is een grapje, want ik gebruik nooit munt). Handig, zulke buren!

– De luie buren.
Deze buren hebben een probleem. Ze hebben namelijk geen kracht in hun armpjes. Ze kunnen nog net de energie opbrengen om de vuilniszak op de galerij neer te zetten, maar om dan heeeeeelemaal de trap af te gaan met zo’n zak, nee, dat is echt veel te zwaar. Gelukkig staat dat wel mooi, vijf van die stinkende vuilniszakken op een rij.

– De rookburen.
Roken is zó gele zwemslip, dat weet iedereen, behalve mijn buurtjes. Soms kom ik ze tegen, terwijl ze gezellig staan te blauwbekken in de kou. Een plastic bekertje vol afgebrande peuken staat ter uitnodiging voor de deur. Als ik ze groet, krijg ik een schorre ‘Goedemorgen.’ terug. Hoestend weet ik nog net de trap te bereiken. De volgende keer ga ik de andere kant op (dat kan namelijk ook, zo functioneel, die flat van mij).

– De ik groet je altijd chagrijnig terug, behalve als ik mijn pakketje bij je af moet halen-buren.
De meneer van Post NL heeft mij gevonden. Eén keer vroeg hij mij of ik een pakketje in ontvangst kon nemen voor de buren en ik, engel dat ik ben, zei ja. Sindsdien komt hij elke dag langs met minimaal tien pakketjes. Die pakketjes zijn altijd voor meneer de chagrijn. Wanneer ik hem tegenkom en groet (ik groet mijn buurtjes altijd, beter een goede buur…), kan hij er nog net met moeite een ‘Hallo’ uitpersen. Maar als ik een pakketje van hem in bezit heb en hij aanbelt, straalt hij als een mooie zondagmorgen. Ik vind het verdacht.

– De toneelburen.
Technisch gezien niet mijn buren, aangezien ze op een andere verdieping wonen, maar who cares? Iedereen in de flat is mijn lieve buur! Dit zijn de beste buren, want ze roken niet, groeten vriendelijk, ik kan hun vuilniszakken toch niet ruiken en ze zitten bij de leukste toneelvereniging van Leiden.

U merkt het al: we zijn één grote familie. De gezelligste familie van Nederland (oh nee wacht…).

Pijn in mijn hart: de kat die niet mijn kat was


Waar is Misty nou? :(

Opeens was ze daar: Misty. De naam deed me denken aan een personage uit de Pokemon-serie, maar ik betwijfel dat ze daar naar vernoemd was. Misty was de kat van de buren van de buren. Eerst zagen we haar nooit, totdat ze wel erg vaak in onze tuin verscheen.

Nu moet u weten dat wij geen kat (meer) hebben, omdat mijn broer allergisch is. Maar katten blijven toch wel erg lief. Zo ook Misty. Die lieve ogen kun je niet ontwijken. Dus kreeg Misty af en toe een plakje worst of overgebleven vis.

Helaas was ze ons niet zo trouw, want ze ging ook wel eens naar andere buren. Maar daar probeer ik niet aan te denken.

Elke dag als ik thuis kwam van school, zat Misty in de tuin en gaf kopjes. Het kwam niet in de buurt bij echt een kat hebben, maar het was beter dan niets. Beetje bij beetje sloten we Misty in ons hart.

En toen gingen de buren van de buren verhuizen. Nooit meer Misty. Er is ondertussen een nieuwe kat in de straat gekomen, maar ja, die komt nooit langs en het is Misty niet.

Het is inmiddels een paar jaar geleden, maar het doet nog steeds een beetje pijn.

Laura’s fictie: Het dagelijkse wandelingetje van mevrouw van Kleffen

Het dagelijkse wandelingetje van mevrouw van Kleffen

Elke dag pakte ze haar stok die in een hoekje stond. Op zonnige dagen zette ze haar hoed op. Zich stevig vasthoudend aan de leuning schuifelde ze de trap af. Met trillende handen opende ze de deur en dan begon het: het dagelijkse wandelingetje van mevrouw van Kleffen.
Het was altijd hetzelfde blokje om. Een rondje door de straat. De straat wist dit, want mevrouw van Kleffen wandelde dit wandelingetje al tien jaar lang, door wind en weer. En met elk wandelingetje groeide de ergernis van de buren. Want hoewel mevrouw van Kleffen een zachtaardig oud vrouwtje was, had ze één akelige gewoonte: tijdens het wandelen keek ze graag bij iedereen naar binnen. In het begin lieten de buren het toe. Iedereen kijkt toch wel eens bij andere mensen naar binnen? Maar dit was niet eens. Dit was altijd. Elke dag. Ze schoven de gordijnen dicht. Toen werd het wel erg donker in de woonkamer. Want dat is het punt. Mevrouw van Kleffen wandelde elke dag, maar niet op een vast tijdstip. Soms om zeven uur ’s ochtends, maar het is zelfs voorgekomen dat ze haar wandelingetje om twee uur ’s nachts maakte. Hier kon de straat niet tegen.
‘We moeten hier iets tegen doen,’ zei mevrouw van nummer negen, die alle buren bij elkaar had geroepen.
Gelukkig had de slimste van het stel, meneer van nummer twintig, een goed idee.
‘Wat als we een schema maken,’ stelde hij voor. ‘Elke dag moet één van de buren op de wacht staan om te kijken of mevrouw van Kleffen langs komt. En die moet het dan iedereen laten weten.’
Zijn buurmeisje schudde haar hoofd.
‘Maar hoe kun je het dan de anderen zo snel laten weten?’
Na enig overleg bleek dat de straat een aantal technische buren had, die de koppen bij elkaar deden en een ingenieus plan bedachten. Ze installeerden een alarmsysteem. Als één van de buren op het rode knopje drukte, dan hoorde de hele straat een belletje: het teken dat mevrouw van Kleffen aan haar dagelijkse wandelingetje was begonnen. Aan het einde van de wandeling, als mevrouw van Kleffen weer veilig binnen aan de thee zat, werd er op een groen knopje gedrukt.  Dan kon iedereen weer rustig ademhalen en de gordijnen opendoen.
Het schema werkte goed. Elke buur was om de week aan de beurt en iedereen werkte goed mee. Wat echter niemand in de gaten had, was dat mevrouw van Kleffen steeds sipper ging kijken. Ze deed nog wel elke dag haar wandelingetje, maar de tegenzin werd steeds groter. Nu ze niet meer in de woonkamers van de straat kon kijken, was het plezier voor haar eraf. Ze begreep het niet. Hoe kon het dat iedereen altijd de gordijnen dicht had? Ze ging steeds meer koekjes eten om het verdriet niet meer te voelen.

Op een dag, mevrouw van nummer tien was aan de beurt om op het knopje te drukken, had meneer van nummer zestien een droevig nieuwtje.
‘Ik ga verhuizen. Het huis wordt te groot voor mij en mevrouw nu de kinderen uit huis zijn. Dag!’
De straat wuifde hem na, maar het ging niet van harte.
Al snel kwam er iemand anders op nummer twintig te wonen. Het was een gezette vrouw met fonkelende ogen en getoupeerd haar. Bij de eerstvolgende straatvergadering legden de buren haar het plan, dat de codenaam ‘Paarse Paraplu’ had gekregen, zorgvuldig uit. Met elk woord dat ze uitspraken, fonkelden haar ogen meer.
‘Dit is werkelijk belachelijk,’ zei ze met verheven stem.
De buren keken haar angstig aan.
‘Maar het is een inbraak op privacy als ze bij je naar binnen kijkt,’ piepte de dapperste van het stel.
De gezette vrouw trok haar wenkbrauwen op.
‘Nee. Dit kan niet. Ik doe hier niet aan mee.’
De straatvergadering was afgelopen. Iedereen was teleurgesteld over de nieuwe buurvrouw  en ook een beetje bang. Maar het schema ging gewoon door. Eén keer in de twee weken bleven de gordijnen open. Mevrouw van Kleffen, die zichzelf inmiddels in slaap huilde en twintig kilo was aangekomen door de koekjes, wist niet wat haar overkwam. Ze kreeg weer zin in haar dagelijkse wandelingetje en leefde naar die ene dag toe. De buurt liet het gelaten toe.

Na een paar maanden, het was op haar 92ste verjaardag, viel mevrouw van Kleffen tijdens haar dagelijkse wandelingetje op de grond. Het was die ene dag in de twee weken en ze stond net naar binnen te kijken bij nummer tien. De straat was in euforie. Dat duurde echter niet lang.
De volgende dag deed mevrouw van nummer vijfendertig haar gordijnen open. Ze liet van schrik het schoonmaakdoekje uit haar hand vallen toen ze iemand bij de overburen naar binnen zat te kijken om vervolgens naar de andere buren te lopen.
Het was een gezette vrouw en haar ogen fonkelden als nooit tevoren.

©Laura Bosua