I speak very good English

Ik kan een aardig woordje Engels spreken en zelfs met een heus Brits accent. Ik heb namelijk na mijn eindexamen een paar weken een taalcursus in Bournemouth gedaan, waarbij ik C2 haalde (het hoogste niveau voor een not-native speaker). Niet arrogant bedoeld, maar ik spreek het beter dan de gemiddelde Nederlander (nu is dat niet zo moeilijk, maar toch).

Soms word ik aangesproken op straat. ‘Do you know where random place is?’ Dat weet ik. Ik weet het heel goed. Ik kan dat ook heel goed verwoorden. Maar niet op dat moment.
‘Ehhh yes, no, yes, no, yes. It is det wee, joe hef toe eh toe eh, yes, no, ai doont knoow.’
Ik klink als de gemiddelde Nederlander die denkt dat hij heel goed Engels kan spreken, maar niet eens weet hoe je het woord ’think’  uitspreekt (’tink’ denkt hij).

En dat is frustrerend. Want ik kan het heus wel. Ik heb alleen last van opstartproblemen. Ik kan heel goed Engels spreken. Behalve als het moet.

Laura’s jargon (2)

Iedereen heeft zo wel gekke dingen die hij zegt. Behalve ik natuurlijk. Ik zeg juist hele normale dingen, maar het zijn anderen die het gek vinden. Mocht je me toevallig in de toekomst ontmoeten, dan is het wel handig om te begrijpen wat ik bedoel. Daarom hier een blogje over mijn jargon. Deel 1 kun je hier vinden.

Stombo: een dombo die nog stom is ook.

Semi-nette zwarte broek: een zwarte broek, maar geen spijkerbroek en ook niet een te nette broek. Volg je hem nog?

Hallootjes: omdat alleen ‘Hallo’ zo saai is.

Ja, maar ja: ik weet niet wat ik moet zeggen, dus ik zeg dat maar, want dat is mijn stopwoordje (of eigenlijk woordjes, want het zijn er drie).

Ik ben de baas: die lijkt me wel duidelijk. Het is gewoon de waarheid.

Iets/iemand is verschwunden: omdat ‘verschwunden’ zeggen veel leuker is dan ‘verdwenen’.

‘Je zit in mijn personal space.’: dit zeg ik meestal tegen mijn broertje die aan tafel met ZIJN lange benen in MIJN personal space zit. Ik bedoel, waar haalt hij het lef in godsnaam vandaan?

Aufschießen: dat is Niederdeutsch voor ‘opschieten’.

Huilerdehuil: Laura vindt iets niet leuk.

Geldtechnisch: want dat is een veel leuker woord dan ‘financieel’.

En zeggen jullie ook normale (maar volgens anderen dus gekke) dingen?

Ik: uniek of niet?

Als je de titel van deze blog leest, dan denk je misschien: ja, natuurlijk ben je uniek, Laura! Iedereen is uniek! Of: nee, natuurlijk niet, Laura, niemand is uniek, we lijken allemaal op elkaar!
Maar dan ben je op het verkeerde been gezet. Want dat bedoel ik helemaal niet. Het gaat om het woord ‘ik’ zelf. Ik zal het even uitleggen.

Lacan (een slimme meneer) bedacht het systeem van de ordes. Als kind kom je eerst in de imaginaire orde, ook wel het spiegelstadium genoemd. Het kind ziet zichzelf niet in zijn totaliteit, maar leert zichzelf zien door een extern beeld (de ander). Dat zorgt voor gespletenheid, omdat het kind zichzelf dus via via ziet. Met het toetreden van de taalorde (als het leert spreken) komt het kind in de symbolische orde terecht en daar blijft hij de rest van zijn leven. Maar door de taal die het kind leert, gaat er iets verloren, de betekende van zijn eigen ik (Een betekenaar is een woord, bijvoorbeeld ‘boom’. Betekenaren zijn willekeurig. In het Nederlands heet het een ‘boom’, in het Engels ’tree’, maar ze verwijzen naar hetzelfde. Het concept waarnaar verwezen wordt, heet een betekende). Daarnaast heb je nog de reële orde, dat is dat wat niet symboliseerbaar is en daar kun je dus nooit bij.

Goed, ik hoop dat jullie het nog snappen tot nu toe haha en anders kun je altijd vragen om opheldering! We gaan nu verder over betekenaren. Alle woorden zijn betekenaren, zo ook het woord ‘ik’. Je hebt er misschien nog nooit over nagedacht, maar eigenlijk is het raar. Je gebruikt het woord ‘ik’ als verwijzing naar jezelf, maar het zegt niets over jou, het zegt niets over je unieke zelf (in het geval dat je gelooft in een ‘unieke zelf’ natuurlijk). Het woord ‘ik’ is inwisselbaar, iedereen gebruikt het immers. Zelfs je naam zegt niets over jou. De naam Laura zegt niets over mijn identiteit, het is willekeurig, mijn ouders hadden me ook Ashley kunnen noemen.
‘Maar wat als jij de enige bent met die naam?’
Misschien ben je nu wel de enige (ik ben geloof ik de enige die Laura Bosua heet, in ieder geval op Facebook haha), maar dat maakt niet uit. Het zegt het alsnog niets over jou, omdat het willekeurig is. Het is gewoon handig, zo’n naam (als je iemand kwijt bent in een grote menigte bijvoorbeeld), meer niet.

Hoe raar is dit idee wel niet? En misschien ook wel vervelend. Dat taal grenzen heeft, dat je niet alles kan uitdrukken met taal. Dat ‘ik’ niet uniek is.

Denk daar maar aan de volgende keer als je weer teveel over jezelf praat!

Laura’s jargon

Mijn boekje kon ik niet vinden. Deze is van mijn broer, vandaar dat ik de gegevens even gefingeerd (zoals dat met een mooi woord heet) heb.

Mijn ouders hebben van ons alle drie (broer, broertje, ik) een groen boekje waarin ze dingen als de groei en het gewicht bij hielden (lekker boeiendddd) toen we klein waren, maar óók onze uitspraken.
Ik deed uitspraken als ‘janke janke’ (vertaling: Jip en Janneke) en ‘eet je smaak’ (vertaling: eet smakelijk).

Geef het toe: ik was toen al een genie qua uitspraken (‘ARROGANT!’ ‘Houd. Je. Mond.’). Maar daar is het niet bij gebleven. Ik zal jullie vandaag een sneak peak (om maar even een stom woord te gebruiken) geven in mijn taalgebruik. Ja, dit is exclusief!

In mails:

Bonjour: aanhef van een mail. Zoals het een echte niet-Franse betaamt.
Kusje van je zusje: afsluiting van een mail die specifiek bedoeld is voor Laura’s broer.
-xxx-: afsluiting van een mail die specifiek bedoeld is voor Laura’s vriendinnen.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx: afsluiting van een mail die specifiek bedoeld is voor Laura’s moeder (wat een moeder-dochterliefde!)

Overige:

Tachtigduizend: héél veel.
jwoejrowejriowjeroiejwrioj: Laura begrijpt iets niet of ze weet niet hoe ze het moet zeggen.
Semi-vriendin: iemand met wie je bevriend bent, maar je weet eigenlijk niet waarom. Ook wel frenemies genoemd, maar niet door Laura, want die vindt dat een stom woord. Kan overigens ook iemand zijn die ooit een vriendin was, maar die je nu nog amper ziet.
Porto: portemonnee (nee, ze snapt het zelf ook niet).
Niet-date: een vriendschappelijk afspraakje met een jongen waarvan je stiekem hoopt dat het een wel-date is.
Mp: een mp3-speler. Omdat mp3 te lang is.

Wat een wijsheid, wat een wijsheid en dat is alleen al terug te zien in het taalgebruik!

Mag ik ook een inzicht hebben in jouw jargon?

Flirten: een taal die ik niet machtig ben

Bron

Flirten is een taal die ik niet machtig ben. Op de één of andere manier heb ik toch het vriendje weten te veroveren met mijn gebrek aan flirttechniek, maar dat laat ik even erbuiten.

Het komt wel eens voor. Bijvoorbeeld in de trein. Tegenover je zit een jongen, jawel, zo’n raar wezen waar de helft van de wereld uit schijnt te bestaan. Je observeert alle mensen, dus ook deze jongen. Opeens merk je dat hij naar je kijkt. Je slaat je ogen neer. Je richt je blik weer op hem. Hij kijkt nog steeds. Je werpt een blik uit het raam, maar vanuit je ooghoeken kijk je naar hem. Jawel, hij kijkt nog steeds naar je. Je wordt een beetje zenuwachtig en begint aan je shirt te friemelen. Wat zou er aan de hand zijn? Heb je tandpasta op je gezicht? Je bekijkt je gezicht in het scherm van je mobieltje, maar nee hoor, geen tandpasta en je haar zit ook niet raar. Waarom kijkt hij dan de hele tijd? Zou het…? Nee, nee, zo’n jongen vindt mij niet leuk. Misschien is hij gewoon stoned.
Het volgende station. De jongen glimlacht naar je, terwijl hij op staat. Verlegen glimlach je terug en terwijl je hem nakijkt, denk je: shit! Blijkbaar flirtte hij tóch met me.

Er is geen goed antwoord op ‘hoe gaat het?’

‘Hoi!’
‘Hey!’
‘Hoe gaat het?
‘Goed met jou?’
‘Ja, met mij ook goed.’
‘Mooi zo.’

Zo gaan die gesprekken meestal. Op straat, op msn, aan de telefoon. Je vraagt hoe het gaat met iemand, hoe iemand zich voelt. Maar waarom vraag je daar eigenlijk naar als je nooit het juiste antwoord zult ontvangen? Ja natuurlijk, iemand kan zich goed voelen en dat ook zeggen, maar dat maakt het nog geen juist antwoord. Hoe kun je ooit uitleggen hoe je je werkelijk voelt? Is dat überhaupt mogelijk? Schiet taal als medium op dat punt niet tekort?
Je weet nooit zeker of iemand van je houdt, totdat hij of zij het zegt. En zelfs dan is er nog geen zekerheid, want leugens worden vaak gemaakt. Stel dat jouw geliefde zegt van jou te houden. Weet je dan ook wat dat in houdt, hoe dat voelt? Je geliefde kan vertellen: ‘Als ik aan je denk, moet ik glimlachen. Ik krijg een warm gevoel van binnen wanneer ik je zie. Ik vind het fijn om je te liefkozen.’ Maar de kern van dat gevoel, het houden van, is niet uit te leggen. Het zit al in het woord zelf: gevoelens – voelen. Maar aangezien je gevoelens niet als voorwerpen door kunt geven aan andere personen, ben je niet in staan te ervaren wat een ander voelt.
Het klinkt misschien treurig, om nooit te kunnen achterhalen wat een ander werkelijk voelt. Maar het kan ook spannend, mysterieus of beter zijn. Er valt nog zoveel te ontdekken.